Kamerbrief verzwaring toegang arbeidsongeschiktheidsuitkering

De minister van Sociale Zaken heeft gereageerd op berichten in de media over verzwaring van de

De minister van Sociale Zaken heeft gereageerd op berichten in de media over verzwaring van de toegangseis voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het regeerakkoord van het huidige kabinet wordt voorgesteld om bij de aanvraag voor een uitkering beter te kijken naar geschikt werk en de mate van arbeidsongeschiktheid. Uit een steekproef onder 170 volledig arbeidsongeschikte personen is gebleken dat 9% van hen minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn bij toepassing van het in het regeerakkoord voorgestelde criterium. Op basis van die mate van arbeidsongeschiktheid zouden deze mensen niet in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een uitgewerkt voorstel voor aanpassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium is er nog niet. De minister wil daarover eerst in gesprek met werkgevers- en werknemersorganisaties. Naar verwachting komt de minister in de loop van het voorjaar met uitgewerkte voorstellen.

Wetsvoorstel uitbreiding bevoegdheden ondernemingsraad

De Tweede Kamer heeft een wetsvoorstel aangenomen dat de Wet op de ondernemingsraden wijzigt. Door de

De Tweede Kamer heeft een wetsvoorstel aangenomen dat de Wet op de ondernemingsraden wijzigt. Door de wijziging wordt de bevoegdheid van de ondernemingsraad (OR) ten aanzien van de beloning van bestuurders van ondernemingen met meer dan 100 personen uitgebreid. Het wetsvoorstel moet nog door de Eerste Kamer worden behandeld voordat de wet aangepast wordt. 


Het doel van het wetsvoorstel is het bewustzijn en de discussie over beloningsverhoudingen binnen ondernemingen te stimuleren door de OR als werknemersvertegenwoordiging daarin te betrekken. Op basis van dit wetsvoorstel moeten de ondernemer en de OR minimaal één keer per jaar tijdens een overlegvergadering de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en beloningsafspraken bespreken. Ook de ontwikkeling van de beloning ten opzichte van het voorgaande jaar komt daarbij aan de orde. Deze verplichting zal alleen gaan gelden voor ondernemingen met meer dan 100 personen.


De OR krijgt door de voorgestelde wijziging geen advies- of instemmingsrecht ten aanzien van het beloningsbeleid van bestuurders. Ingediende amendementen van die strekking zijn door de Tweede Kamer verworpen.

Dubbele belastingheffing pensioen grensarbeiders uit België

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over dubbele belastingheffing over

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over dubbele belastingheffing over pensioenen van grensarbeiders uit België. Het belastingverdrag met België wijst het heffingsrecht over privaatrechtelijke pensioenen in beginsel toe aan de woonstaat, zij het dat onder voorwaarden ook de vroegere werkstaat belasting mag heffen. Een van die voorwaarden houdt in dat het pensioen in de woonstaat onvoldoende wordt belast.


Volgens de Belgische rechter kan België op grond van het nationale recht uit Nederland afkomstige pensioenen niet geheel in de heffing kan betrekken. Door deze uitspraken is voor de Belastingdienst onduidelijk of uit Nederland afkomstige pensioenen in België wel voldoende belast worden. Daarom wordt niet zonder meer een vrijstelling voor de loonbelasting gegeven om te voorkomen dat in geen van beide landen belasting wordt geheven over de pensioenuitkering. Daardoor kan dubbele belastingheffing optreden. De onduidelijkheid heeft betrekking op lagere pensioenbedragen. Wanneer het brutobedrag van de pensioenuitkeringen in een kalenderjaar niet hoger is dan € 25.000, is volgens het belastingverdrag alleen de woonstaat heffingsbevoegd.
Omdat zowel de Nederlandse als de Belgische autoriteiten dubbele belastingheffing over buitenlandse pensioenen onwenselijk achten, zal op korte termijn overleg plaatsvinden om tot een oplossing te komen.

Geen verrekening neveninkomsten bij loondoorbetaling

Een werknemer heeft gedurende een tijdvak van 104 weken recht op doorbetaling van loon bij

Een werknemer heeft gedurende een tijdvak van 104 weken recht op doorbetaling van loon bij arbeidsongeschiktheid. De loondoorbetaling bedraagt wettelijk 70% van het vastgestelde loon en gedurende de eerste 52 weken ten minste het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon. Werkgever en werknemer kunnen hogere bedragen aan doorbetaling overeenkomen. In de praktijk komt vaak voor dat een arbeidsongeschikte werknemer de eerste 52 weken recht heeft op 100% doorbetaling van het loon.


In een procedure voor Hof Den Bosch stelde een werkgever zich op het standpunt dat hij de loondoorbetaling aan een arbeidsongeschikte werknemer mocht opschorten. Volgens de werkgever mocht hij bedragen die de werknemer tijdens ziekte ontving in mindering brengen op het uit te betalen loon. De werkgever had de werknemer gevraagd om informatie over andere inkomsten. Omdat de werknemer geen informatie verstrekte meende de werkgever dat hij zijn loondoorbetalingsverplichting mocht opschorten. De werknemer bestreed dat hij neveninkomsten had gehad tijdens zijn ziekteperiode.
De wet geeft aan de werkgever de bevoegdheid om de loondoorbetaling op te schorten, maar die bevoegdheid geldt voor de situatie waarin de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften over het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever nodig heeft om het recht op loon vast te stellen. De werkgever mag van die bevoegdheid alleen gebruik maken als hij voldoende concrete aanwijzingen heeft dat de werknemer tijdens ziekte inkomsten elders heeft ontvangen.


Het hof oordeelde dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer tijdens zijn ziekteperiode inkomsten heeft genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij voor de werkgever had kunnen werken als hij niet ziek zou zijn geweest. Het was de werknemer niet verboden om nevenwerkzaamheden te verrichten. Als hij daarmee inkomsten zou hebben gegenereerd mochten die niet op het loon in mindering worden gebracht. Het hof wees de vordering van de werknemer tot doorbetaling van loon toe.

Overgangsregeling bijtelling privégebruik auto

Sinds 1 januari 2017 bedraagt de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak ten minste 22%

Sinds 1 januari 2017 bedraagt de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak ten minste 22% van de cataloguswaarde van de auto indien de auto jonger is dan 15 jaar. In de jaren voor 2017 gold een bijtelling van 25%. Bij wijze van overgangsregeling geldt voor een auto met een datum van eerste toelating van uiterlijk 31 december 2016 in de jaren 2017 en volgende een bijtelling van 25%.


Volgens de rechtbank is de overgangsregeling niet in strijd met het discriminatieverbod, zoals dat is opgenomen in internationale verdragen. De rechtbank benadrukt dat deze verdragen niet iedere vorm van ongelijke behandeling verbieden, maar alleen die waarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt. Vooral op fiscaal gebied heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om gelijke gevallen ongelijk te behandelen. Het oordeel van de wetgever dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat moet worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dat is alleen anders wanneer het gaat om onderscheid op basis van persoonlijke kenmerken.


De verlaging van het bijtellingspercentage is volgens de rechtbank niet alleen gegrond op milieudoelstellingen. Dit betekent dat ook het door de overgangsregeling veroorzaakte onderscheid niet terug te voeren is op milieudoelstellingen. De wetgever heeft ook andere factoren betrokken in de bepaling van het bijtellingspercentage, zoals door werkgevers gestelde beperkingen aan het privégebruik en de door werkgevers beïnvloede keuze van auto’s.

Handhaving Wet DBA opgeschort tot 1 januari 2020

Zoals bekend staat de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) op de nominatie om vervangen

Zoals bekend staat de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) op de nominatie om vervangen te worden. De Wet DBA was bedoeld om duidelijkheid te scheppen over de vraag wanneer een arbeidsverhouding een dienstbetrekking is. In plaats van duidelijkheid te scheppen leverde de wet veel verwarring en onrust op onder zzp’ers en opdrachtgevers. Vanwege alle commotie rondom deze wet was de handhaving van de wet opgeschort.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft nu meegedeeld dat de opschorting van de handhaving is verlengd tot 1 januari 2020. Dat betekent dat opdrachtgevers en opdrachtnemers tot die tijd geen boetes of naheffingen krijgen mocht geconstateerd worden dat sprake is van een dienstbetrekking.


Wel worden de mogelijkheden voor handhaving bij kwaadwillenden vanaf 1 juli 2018 verruimd. Deze is dan niet langer beperkt tot de ernstigste gevallen. Voor handhaving is vereist dat de Belastingdienst kan bewijzen dat aan de volgende drie criteria is voldaan:
1. Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking.
2. Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid.
3. Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.


De verwachting is dat per 1 januari 2020 nieuwe wet- en regelgeving in werking zal treden.

Vertraging oplevering nieuwe automatiseringssytemen erf- en schenkbelasting

Een aangifte schenkbelasting moet worden gedaan binnen twee maanden na afloop van het jaar waarin de

Een aangifte schenkbelasting moet worden gedaan binnen twee maanden na afloop van het jaar waarin de schenking is gedaan. Van schenkingen, die in 2017 hebben plaatsgevonden, moet dus voor 1 maart 2018 aangifte worden gedaan. Een aangifte erfbelasting moet worden gedaan binnen een door de Belastingdienst te stellen termijn. Die termijn eindigt niet eerder dan acht maanden na het overlijden van de erflater. Door problemen bij de bouw van een nieuw automatiseringssysteem voor de erf- en schenkbelasting is vertraging opgetreden in de afhandeling van aangiften erf- en schenkbelasting die betrekking hebben op 2017.


De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer een uiteenzetting gegeven over de oorzaken van de vertraging bij het opleveren van de nieuwe automatiseringssystemen. Volgens de staatssecretaris is de vertraging veroorzaakt door gebrekkige managementinformatie, slecht risicomanagement en onvoldoende onderling contact tussen onderdelen van de Belastingdienst. Eerder heeft de staatssecretaris al aangekondigd dat de Belastingdienst geen belastingrente in rekening zal brengen over de periode van vertraging in de afhandeling van aanslagen die het gevolg is van de te late oplevering van het nieuwe systeem van de erfbelasting. Dit betreft aangiften erfbelasting met betrekking tot een overlijden op of na 1 januari 2017. Om de vertraging te beperken komt extra ICT-capaciteit beschikbaar en komen er tijdelijk extra mensen om de achterstand in de aanslagoplegging in te lopen. Verder wordt een risicomanager aangesteld om tijdig problemen te kunnen constateren, risico’s op vertragingen te signaleren en effecten daarvan weg te nemen.


Bij de herziening van de Successiewet 1956 per 2010 is de overstap gemaakt naar een digitale aangifte voor de schenk- en erfbelasting naast de papieren aangifte. De bestaande programmatuur was verouderd en draaide op een achterhaald technisch platform. Het oude systeem wordt vervangen door aparte systemen voor de erfbelasting en voor de schenkbelasting. De nieuwe systemen worden gebruikt voor aangiften in verband met erfenissen en schenkingen in de jaren 2017 en later. Voor de aangiften tot en met 2016 blijft het oude systeem in gebruik, hoewel daarin niet meer wordt geïnvesteerd. In 2016 is besloten om eerst basisvarianten van de systemen te bouwen en de meer ingewikkelde onderdelen op een later moment te bouwen. In de loop van 2017 zijn de eerste functionaliteiten van het nieuwe systeem voor de erfbelasting in gebruik genomen.


Van het nieuwe systeem voor de schenkbelasting zijn in 2017 de eerste, beperkte functionaliteiten in gebruik genomen. Aanvankelijk was het niet mogelijk om een aangifte schenkbelasting 2017 in te dienen. Inmiddels is dat wel het geval. Het uitvoeren van correcties op aangiften bij het opleggen van voorlopige aanslagen is nog niet mogelijk. Het aanbrengen van correcties zal wel mogelijk zijn bij het opleggen van de definitieve aanslag. Naar verwachting is dat in de loop van 2019 het geval. In de loop van 2017 is de inschatting gemaakt dat het systeem voor de erfbelasting eind 2019 in zijn geheel opgeleverd zal zijn. Daar is tot nu toe geen verandering in gekomen. Voor de schenkbelasting zal de oplevering naar verwachting niet eerder dan in 2021 plaatsvinden.


De wettelijke termijn waarbinnen een definitieve aanslag schenk- of erfbelasting moet worden opgelegd is drie jaar na het jaar van schenking of na het tijdstip van overlijden van de erflater. De staatssecretaris benadrukt dat de Belastingdienst alle aanslagen binnen de wettelijke termijn zal opleggen. In uitzonderlijke gevallen kan handmatig een aanslag worden opgelegd.

Goedkeuring toepassing eigenwoningregeling

De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit een goedkeurende regeling gepubliceerd voor de

De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit een goedkeurende regeling gepubliceerd voor de toepassing van de eigenwoningregeling. De goedkeuring heeft betrekking op een onbedoelde beperking van de renteaftrek bij partners die gezamenlijk een eigen woning kopen. Bij de toepassing van de bijleenregeling kan het zijn dat een deel van de schuld niet als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt. Ook wanneer een van de partners een onder het overgangsregime vallende bestaande eigenwoningschuld heeft kan zich een beperking van de renteaftrek voordoen als de andere partner na 31 december 2012 een eigen woning verkrijgt en daarom aan de aflossingseis moet voldoen.


De staatssecretaris vindt het ongewenst dat partners van wie ten minste één voorafgaand aan de gezamenlijke aankoop van de eigen woning een eigenwoningverleden heeft, worden geconfronteerd met een niet-beoogde beperking van de renteaftrek. Daarom keurt hij onder voorwaarden goed dat het eigenwoningverleden van beide partners bij helfte wordt verdeeld over beide partners om daarna de individuele eigenwoningschuld en het eigenwoningverleden te bepalen. Deze goedkeuring geldt met ingang van het belastingjaar 2013. Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
a) De partners kopen de eigen woning aan in een 50%-50%-verhouding en gaan de schuld(en) voor de financiering van de woning in diezelfde verhouding aan.
b) Beide partners doen een beroep op de goedkeuring door de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente op deze manier in hun aangifte op te nemen.
c) Beide partners stemmen ermee in dat toepassing van de goedkeuring ook geldt voor latere jaren. De verdeling bij helfte van het eigenwoningverleden kan daardoor niet worden herzien of teruggedraaid in een later belastingjaar.


In andere situaties kunnen partners zich gezamenlijk wenden tot de Directie Vaktechniek van de Belastingdienst voor een beoordeling van een niet-beoogde beperking van de aftrek van eigenwoningrente.
Onherroepelijk vaststaande definitieve aanslagen over voorgaande jaren kunnen op basis van de goedkeuring ambtshalve worden verminderd, mits het gezamenlijke verzoek daartoe binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft wordt ingediend.

Nieuw modelkoopcontract woningen

De minister van Binnenlandse Zaken heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over een nieuwe versie van het

De minister van Binnenlandse Zaken heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over een nieuwe versie van het modelkoopcontract voor woningen. Het nieuwe modelkoopcontract bevat zowel het voorbehoud van financiering als het voorbehoud van de bouwkundige keuring. De risico’s die consumenten lopen worden hiermee verkleind. In de definitieve overeenkomst moet expliciet worden aangegeven waar is afgeweken van het modelkoopcontract. Het afzien van het voorbehoud van financiering of bouwkundige keuring wordt dan door middel van een doorhaling zichtbaar. In de toelichting bij de nieuwe modelkoopovereenkomst wordt expliciet gewezen op de risico’s van het afwijken van de voorbehouden van financiering en bouwkundige keuring. Ook dit moet helpen om de risico’s die consumenten lopen te verkleinen.


De minister ziet de nieuwe modelovereenkomst en de toelichting daarop als een belangrijke stap om de consument in de krappe woningmarkt beter te beschermen. In dat kader heeft het gebrek aan transparantie van makelaarstarieven de aandacht van de minister. In juli 2017 heeft de voorganger van de minister een vervolgonderzoek naar het afzien van voorbehouden aangekondigd. De minister verwacht voor de zomer de Tweede Kamer te kunnen informeren over de uitkomsten van het onderzoek.

Verplicht privévermogen

Binnen de grenzen van de redelijkheid heeft een ondernemer de keuze om vermogensbestanddelen als zakelijk

Binnen de grenzen van de redelijkheid heeft een ondernemer de keuze om vermogensbestanddelen als zakelijk of als privé aan te merken. Vermogensbestanddelen, die uitsluitend of vrijwel uitsluitend zakelijk gebruikt worden, vormen verplicht ondernemingsvermogen. Behoudens uitzondering zal de woning van de ondernemer naar zijn aard tot het privévermogen behoren. Pas wanneer de ondernemer zijn woning voor meer dan 10% zakelijk gebruikt, is geen sprake meer van verplicht privévermogen maar van keuzevermogen en kan de ondernemer ervoor kiezen de woning tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen. De ondernemer zal daarvoor aannemelijk moeten maken dat hij zijn woning voor meer dan 10% zakelijk gebruikt.


Een ondernemer bepleitte dat zijn woonboerderij keuzevermogen vormde. Hij beschikte over een apart kantoorgebouw, maar dat was naar zijn zeggen zodanig beperkt dat hij geregeld klanten in de woonkeuken ontving, dat daar zaken werden besproken en werkzaamheden werden verricht. De ontvangst in de woonkeuken leidde ertoe dat gebruik werd gemaakt van de gang en het toilet in de woonboerderij. Het hof vond dat de inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt dat het afzonderlijke kantoor van de ondernemer, gezien de aard en omvang van de onderneming, over voldoende faciliteiten beschikte en dat geen enkele ruimte in de woonboerderij exclusief werd gebruikt voor de onderneming. Daar kwam bij dat de oppervlakte van de keuken in verhouding tot de totale oppervlakte van de woonboerderij beperkt was. Volgens het hof was het gebruik van de keuken voor de onderneming van bijkomstige aard. De inspecteur is er volgens het hof terecht van uitgegaan dat de woonboerderij verplicht tot het privévermogen behoorde.