Cao zegt niets over sectorindeling

Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden

Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden behoren. De Regeling Wfsv bevat een bijlage waarin per sector de bijbehorende bedrijfstakken zijn opgesomd. Als een activiteit hier niet bijstaat, dan worden de werkzaamheden ingedeeld bij de sector waarin de werkzaamheden worden verricht die naar de aard het meest overeenkomen. Dit heet assimilatie. Niet de naam van het bedrijf of de cao is bepalend, maar de feitelijke activiteiten.

Ruwbouw of afbouw?

Een werkgever die spanplafonds plaatst, valt onder de cao afbouw. De Belastingdienst deelt hem toch in bij sector 17: detailhandel en ambachten. De werkgever protesteert. Hij is van mening dat hij hoort bij sector 3: bouwbedrijf. Het hof analyseert de bedrijven in sector 3. Die hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, het constructieve deel van een bouwwerk. Denk aan burgerlijke en utiliteitsbouw, wegenbouw, heiersbedrijven en dakdekkers. Bedrijven die zich richten op afbouw zijn juist ingedeeld bij andere sectoren. Het woningstoffeerdersbedrijf en behangersbedrijf vallen onder sector 17, het schildersbedrijf onder sector 56 en het stukadoorsbedrijf onder sector 57. Dit onderscheid tussen ruwbouw en afbouw blijkt een belangrijk criterium.

Stofferen van plafonds

De werkgever plaatst spanplafonds: plafonds van gespannen kunststofdoek onder bestaande plafonds. Dat is geen ruwbouw. Het hof ziet juist overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf. De werkgever bekleedt immers ruimten, in het bijzonder plafonds, met een stof, in dit geval kunststof. De indeling bij sector 17 is daarom terecht.

Cao niet van belang

De werkgever voert aan dat hij onder de cao afbouw valt. Het hof passeert dit argument. Bij de sectorindeling is niet van belang onder welke cao de werkgever valt. Het gaat uitsluitend om de aard van de werkzaamheden. Dit is een belangrijk punt voor werkgevers die denken dat hun cao-indeling automatisch ook hun sectorindeling bepaalt. Dat is niet zo.

En systeemplafonds dan?

De werkgever beroept zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel. De Belastingdienst hanteert beleid waarin systeemplafonds wél bij de bouw worden ingedeeld. Waarom spanplafonds dan niet? Het hof oordeelt dat spanplafonds en systeemplafonds verschillende systemen zijn met verschillende werkzaamheden. Van gelijke gevallen is geen sprake. Een beroep op beleid voor vergelijkbare bedrijven slaagt alleen als de werkzaamheden ook echt vergelijkbaar zijn.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:2744 | 20-04-2026

Kleine AOW, grote gevolgen

Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale

Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend over haar volledige inkomen, inclusief het Duitse pensioen. Zij vraagt de SVB om de AOW met terugwerkende kracht stop te zetten, maar dient haar bezwaar te laat in. De belastingrechter kan haar niet helpen.

Geen ontheffing Zvw

De vrouw woont in Nederland en ontvangt pensioen uit Duitsland. In 2007 verleent de SVB haar ontheffing van de verplichte verzekering voor de AOW, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Die ontheffing geldt echter niet voor de AWBZ en evenmin voor de Zvw. Zij ontvangt een kleine AOW-uitkering van € 328 per jaar. Die uitkering maakt haar verzekeringsplichtig voor de Zvw. De inspecteur legt een aanslag Zvw op over een bijdrage-inkomen van € 26.258, het totaal van haar Duitse pensioenuitkeringen.

Bezwaar bij SVB te laat

De vrouw vraagt de SVB om de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB stopt de uitkering per 1 december 2023, maar weigert terugwerkende kracht tot 2019. De vrouw maakt bezwaar tegen die weigering, maar dient het bezwaar te laat in. De rechtbank verklaart haar beroep ongegrond. Vervolgens wendt zij zich tot de belastingrechter met het verzoek om de SVB op te dragen de uitkering alsnog met terugwerkende kracht stop te zetten.

Inspecteur gaf tijdig advies

De vrouw stelt ook dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de SVB ontheffing te vragen. Het hof verwerpt dit. De inspecteur heeft haar gemachtigde al op 23 oktober 2023 per e-mail geadviseerd om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Dat was ruim vóór de aanslag van 28 november 2023. Van een tekortkoming in de voorlichtende taak is dan ook geen sprake.

Belastingrechter niet bevoegd

Het hof oordeelt dat de aanslag Zvw rechtmatig is. De vrouw is verzekerd, dus is zij de bijdrage verschuldigd. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om de SVB op te dragen de verzekeringsplicht met terugwerkende kracht stop te zetten. Tegen beslissingen van de SVB staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. De vrouw heeft die route bewandeld, maar haar bezwaar was te laat.

Termijnen zijn streng

Deze uitspraak illustreert hoe een kleine AOW-uitkering grote fiscale gevolgen kan hebben. Door de verzekeringsplicht die voortvloeit uit die uitkering wordt het volledige buitenlandse pensioen in de Zvw-heffing betrokken. Wie dat wil voorkomen, moet tijdig actie ondernemen bij de SVB. Een te laat ingediend bezwaar sluit de deur naar een inhoudelijke beoordeling.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:740 | 17-03-2026

Uitstel bedrag ineens naar 1 januari 2029

Het kabinet stelt de invoering van het keuzerecht bedrag ineens opnieuw uit. De beoogde ingangsdatum van

Het kabinet stelt de invoering van het keuzerecht bedrag ineens opnieuw uit. De beoogde ingangsdatum van 1 juli 2026 wordt verschoven naar 1 januari 2029. De pensioensector staat voor een grote opgave door de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Uitvoerders hebben aangegeven dat de gelijktijdige invoering van zowel de stelseltransitie als het keuzerecht bedrag ineens te zwaar drukt op hun capaciteit. 

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | 2026-0000084063 | 29-03-2026

Premiepercentages en maximum premieloon 2026

De minister van SZW heeft de premiepercentages voor de sociale verzekeringen en het maximum premieloon

De minister van SZW heeft de premiepercentages voor de sociale verzekeringen en het maximum premieloon voor 2026 vastgesteld.

Verzekering 2025 2026
 AOW   17,9%   17,9%
 Anw     0,1%     0,1%
 Awf, lage premie     2,74%    2,74%
 Awf, hoge premie     7,74%    7,74%
 Ufo     0,68%    0,68%
 Aof, hoge premie     7,64%    7,63%
 Aof, lage premie     6,28%    6,27%
 Opslag kinderopvang     0,5%     0,5%

Het maximum premieloon bedraagt in 2026 € 79.409. Het maximum dagloon is 1/261 deel daarvan en komt uit op € 304,25.

Premie en bijdrageloon Zorgverzekeringswet 2026

De minister van VWS heeft het bijdrageloon en het bijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet voor het

De minister van VWS heeft het bijdrageloon en het bijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet voor het jaar 2026 vastgesteld op € 79.409. Dit bedrag is gelijk aan het maximumpremieloon voor de werknemersverzekeringen voor 2026. De inkomensafhankelijke premie voor werknemers bedraagt in 2026 6,10% (2025: 6,51%). Voor anderen dan werknemers daalt de inkomensafhankelijke premie van 5,26% in 2025 naar 4,85% in 2026.

AOW-leeftijd blijft 67 jaar en drie maanden in 2031

In de Algemene Ouderdomswet (AOW) is de jaarlijkse vaststelling geregeld van de AOW-gerechtigde leeftijd

In de Algemene Ouderdomswet (AOW) is de jaarlijkse vaststelling geregeld van de AOW-gerechtigde leeftijd en de bijbehorende aanvangsleeftijd, de leeftijd waarop de AOW-opbouw begint. Deze zijn gekoppeld aan prognoses over de ontwikkeling van de levensverwachting en worden vastgesteld aan de hand van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd. De AOW-gerechtigde leeftijd wordt telkens vijf jaar van tevoren aangekondigd. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de AOW-gerechtigde leeftijd en aanvangsleeftijd voor 2031 vastgesteld op respectievelijk 67 jaar en drie maanden en 17 jaar en drie maanden. Deze blijven daarmee gelijk aan 2030.

Levensverwachting

Een toename van de levensverwachting telt voor tweederde mee in een stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd, met een maximum van een jaar per vijf jaar. De wettelijke formule voorziet in een opwaartse koppeling bij stijging van de resterende levensverwachting op 65 jaar in een jaar. Een eenmaal vastgestelde leeftijd kan later niet meer stijgen of dalen.

Pensioenrichtleeftijd 2027

De pensioenrichtleeftijd is op een vergelijkbare wijze gekoppeld aan de levensverwachting. De pensioenrichtleeftijd wordt bepaald met de prognose van de gemiddelde resterende levensverwachting op 65-jarige leeftijd in 2037. In 2027 blijft de pensioenrichtleeftijd ongewijzigd 68 jaar. Sinds de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (per 1 juli 2023) is de fiscale pensioenrichtleeftijd overigens alleen nog van belang voor het overgangsrecht.

Minimumuurloon naar € 14,71

De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1

De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1 januari 2026 bedraagt het minimumuurloon voor iemand van 21 jaar of ouder € 14,71. Voor mensen die jonger zijn dan 21 jaar gelden van het wettelijk minimumuurloon afgeleide bedragen.

Leeftijd

Staffeling

Per uur

 21 jaar en ouder

 100,0% 

 € 14,71 

 20 jaar

 80,0% 

 € 11,77 

 19 jaar

 60,0% 

 € 8,83 

 18 jaar

 50,0% 

 € 7,36 

 17 jaar

 39,5% 

 € 5,81 

 16 jaar

 34,5% 

 € 5,07 

 15 jaar

 30,0% 

 € 4,41 

Voor werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), gelden in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar afwijkende bedragen.

 Leeftijd

 Staffeling

 Per uur

 20 jaar

 61,5% 

 € 9,05 

 19 jaar

 52,5% 

 € 7,72 

 18 jaar

 45,5% 

 € 6,69 

Het referentiemaandloon bedraagt per 1 juli 2025 bruto € 2.294,40.

Inspecteur moet onduidelijk aangiftebiljet beter vormgeven

Dubbelzinnige aangifterubrieken leiden tot schrappen van belastingrente. Het hof oordeelt dat

Dubbelzinnige aangifterubrieken leiden tot schrappen van belastingrente. Het hof oordeelt dat belastingplichtigen niet de dupe mogen worden van onduidelijke keuzemogelijkheden in het aangiftebiljet. De zaak draait om een bestuurder-aandeelhouder die jaarlijks € 24.000 aan lijfrente-uitkeringen ontvangt van zijn bv. Op deze uitkeringen is geen loonheffing ingehouden. De uitkeringen worden in de aangifte inkomstenbelasting vermeld bij de rubriek "Lijfrente-uitkering of afkoopsom". De belastingplichtige vult keurig in dat geen loonheffing is ingehouden. Door deze keuze berekent het aangifteprogramma geen bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). De inspecteur legt later navorderingsaanslagen op met belastingrente. Volgens de inspecteur had de belastingplichtige de rubriek "Uitkeringen zonder loonheffing" moeten gebruiken. Deze rubriek leidt wel tot een berekening van de Zvw-bijdrage.

Het geschil

De rechtbank oordeelt in eerste aanleg dat zowel de aanslagen als de belastingrente terecht zijn. De belastingplichtige gaat in hoger beroep. Het hof dient twee rechtsvragen te beantwoorden: zijn de aanslagen Zvw terecht en is de belastingrente terecht opgelegd?

Aanslagen

Het hof oordeelt dat de aanslagen Zvw zelf terecht zijn opgelegd. De belastingplichtige stelt dat hij in 1999 afspraken heeft gemaakt over het niet inhouden van loonheffing. Deze afspraken zouden volgens hem ook de Zvw-bijdrage uitsluiten. Het hof wijst dit argument af, omdat de Zvw pas in 2006 is ingevoerd. Een afspraak uit 1999 kan geen betrekking hebben op een later ingevoerde belasting.

Belastingrente

Over de belastingrente komt het hof tot een verrassend oordeel: deze is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De belastingrentebeschikkingen worden volledig vernietigd. Het hof overweegt dat de belastingplichtige een begrijpelijke keuze heeft gemaakt voor de verkeerde rubriek. De rubriek "Lijfrente-uitkering" is logischerwijs de aangewezen plek voor een lijfrente-uitkering. De toelichting bij de aangifte geeft geen duidelijke indicatie dat deze rubriek niet geschikt is. Van een gemiddelde belastingplichtige kan niet worden verwacht dat hij alle toelichtingen leest.

Het hof stelt: "Van een zorgvuldig handelende inspecteur mag worden verwacht dat het aangiftebiljet duidelijk is". Het aangiftebiljet is voor meerderlei uitleg vatbaar.

Betekenis voor de praktijk

Het hof maakt een belangrijk onderscheid. De bijdrage zelf blijft verschuldigd, ook al is het aangifteformulier onduidelijk. Maar de belastingrente kan worden vernietigd als de fout begrijpelijk is. De uitspraak legt een zorgplicht bij de inspecteur voor het ontwerpen van duidelijke aangifteformulieren. Bij onduidelijke aangifteformulieren kan de belastingrente komen te vervallen.
 

Minimumuurloon per 1 juli 2025 naar € 14,40

De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1 juli

De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1 juli 2025 bedraagt het minimumuurloon voor iemand van 21 jaar of ouder € 14,40. Voor mensen, die jonger zijn dan 21 jaar, gelden van het wettelijk minimumuurloon afgeleide bedragen.

Leeftijd

Staffeling

Per uur

 21 jaar en ouder

 100,0% 

 € 14,40 

 20 jaar

 80,0% 

 € 11,52 

 19 jaar

 60,0% 

 € 8,64 

 18 jaar

 50,0% 

 € 7,20 

 17 jaar

 39,5% 

 € 5,69 

 16 jaar

 34,5% 

 € 4,97 

 15 jaar

 30,0% 

 € 4,32 

Voor werknemers, die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), gelden in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar afwijkende bedragen.

 Leeftijd

 Staffeling

 Per uur

 20 jaar

 61,5% 

 € 8,86 

 19 jaar

 52,5% 

 € 7,56 

 18 jaar

 45,5% 

 € 6,55 

Het referentiemaandloon bedraagt per 1 juli 2025 bruto € 2.245,80.

Verder uitstel bedrag ineens

Bij de Eerste Kamer is het wetsvoorstel Wet herziening bedrag ineens in behandeling. De minister van SZW

Bij de Eerste Kamer is het wetsvoorstel Wet herziening bedrag ineens in behandeling. De minister van SZW heeft de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer gestuurd. In de nota gaat de minister in op vragen en opmerkingen van de verschillende fracties in de Eerste Kamer.

Op grond van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen hebben deelnemers in een pensioenregeling de keuze om hetzij op de pensioeningangsdatum hetzij in februari van het jaar na het jaar waarin zij de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, een deel van het pensioenkapitaal ineens te laten uitkeren. Het wetsvoorstel beperkt de doelgroep, die de betaling van het bedrag ineens kan uitstellen tot deelnemers, van wie de pensioeningangsdatum ligt in de maand waarin zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken of op de eerste dag van de daaropvolgende maand. Deze beperking vermindert de complexiteit en de uitvoeringskosten.

Verder wordt op grond van dit wetsvoorstel bij een keuze voor uitgestelde betaling van het bedrag ineens de periodieke uitkering van ouderdomspensioen op de pensioeningangsdatum verlaagd naar 90%. Op het uitgestelde betalingsmoment is dan geen herberekening van de pensioenaanspraken nodig. Dat verkleint de complexiteit voor uitvoerders.

Het uitgestelde betalingsmoment is in overleg met pensioenuitvoerders aangepast van februari naar januari van het jaar volgend op het jaar waarin de gepensioneerde AOW-gerechtigd wordt.

De regering erkent dat de keuze voor een bedrag ineens financiële gevolgen kan hebben, zowel positief als negatief, en dat het belangrijk is dat deelnemers goed geïnformeerd en begeleid worden bij het maken van deze keuze. Er wordt gewerkt aan een tool die deelnemers kan helpen de gevolgen van hun keuze beter te begrijpen. Daarnaast is er aandacht voor de gevolgen van een bedrag ineens voor inkomensafhankelijke regelingen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag. De regering geeft aan dat pensioenuitvoerders wettelijk verplicht zijn om deelnemers te informeren over de mogelijke gevolgen van hun keuzes en hen te begeleiden bij het maken van een weloverwogen keuze.

De beoogde datum van inwerkingtreding van 1 juli 2025 gaat niet gehaald worden. Pensioenuitvoerders hebben tijd nodig om de keuzemogelijkheid te implementeren. Deelnemers moeten tijdig worden geïnformeerd over de keuzemogelijkheid voor zij met pensioen gaan. De regering onderzoekt of uitstel wenselijk is en zo ja, naar welke datum. Uitstel naar 1 juli 2026 lijkt realistisch.