Onzakelijke borgstelling

Het ter beschikking stellen van vermogen aan een bv, waarin de terbeschikkingsteller een aanmerkelijk

Het ter beschikking stellen van vermogen aan een bv, waarin de terbeschikkingsteller een aanmerkelijk belang heeft, wordt belast als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 van de inkomstenbelasting. Het aangaan van een borgstelling is geen terbeschikkingstelling, maar een vergoeding voor het aangaan van borgtocht wordt wel als een voordeel uit terbeschikkingstelling aangemerkt. Zodra de borg heeft betaald ontstaat een regresvordering op de bv. De borg kan voorafgaand aan de betaling uit hoofde van de borgtocht mogelijk een voorziening vormen.


Een verlies uit de borgstelling komt niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden wanneer de borgstelling is toe te rekenen aan het handelen als aandeelhouder, met andere woorden, wanneer de zakelijkheid voor het aangaan van de borgstelling ontbreekt. Of een borgstelling onzakelijk is, hangt af van het antwoord op de vraag of er een vergoeding is waartegen een onafhankelijke derde eenzelfde borgstelling zou hebben aanvaard. Dat bij het aangaan van de borgstelling niet duidelijk is dat de bv het ontvangen krediet niet zal terug kunnen betalen, sluit niet uit dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden.


Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat een bij de oprichting van twee bv’s aangegane borgstelling onzakelijk was. De bv’s hadden elk een gering eigen vermogen van € 18.000. De bv’s waren opgericht voor de ontwikkeling van een internetplatform. Gezien de benodigde ontwikkelingskosten ging het om een risicovol project. De bank was niet bereid de bv’s onder gebruikelijke voorwaarden te financieren. Naast verpanding van de bezittingen van de moedermaatschappij van de bv’s moesten de Staat en de dga zich borg stellen voor het volledige bedrag van de lening. De dga heeft voor zijn borgstelling geen zekerheden of vergoeding bedongen. Na een faillissement van de bv’s werd de dga door de bank aangesproken op zijn borgstelling. Vanwege de onzakelijkheid van de borgstelling kwam het daarop geleden verlies niet in aftrek.

Afzien van stamrecht leidt tot belastingheffing

Tot 1 januari 2014 was het mogelijk om de belastingheffing over een ontslagvergoeding uit te stellen door

Tot 1 januari 2014 was het mogelijk om de belastingheffing over een ontslagvergoeding uit te stellen door de vergoeding in de vorm van een recht op periodieke uitkeringen te gieten. In een dergelijk geval was niet de gehele vergoeding in een keer belast, maar werden de uitkeringen uit het recht belast op het moment van uitkering. Het prijsgeven van het recht op uitkering door af te zien van de uitkeringen leidt tot belastingheffing ineens over de waarde van het gehele recht. 


Bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking in 1991 ontving een werknemer een ontslagvergoeding. Die werd in de vorm van een stamrecht ondergebracht in een bv van de werknemer. Volgens de stamrechtovereenkomst zouden de uitkeringen in 2007 ingaan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In 2007 betaalde de bv een deel van de overeengekomen jaarlijkse stamrechtuitkering. Daarna deed de bv geen betalingen meer uit hoofde van de stamrechtovereenkomst. Omdat de bescheiden stamrechtuitkering uit 2007 niet is gevolgd door nadere stamrechtuitkeringen ondanks dat de werknemer daar gedurende de rest van zijn leven recht op had, oordeelde Hof Amsterdam dat de werknemer zijn aanspraak heeft prijsgegeven. Dat heeft tot gevolg dat de waarde van de aanspraak tot het loon uit vroegere dienstbetrekking moest worden gerekend. De werknemer slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij de aanspraak had prijsgegeven omdat deze niet voor verwezenlijking vatbaar was. Indien en voor zover de aanspraak niet te verwezenlijken was zou het prijsgeven daarvan niet tot belastingheffing hebben geleid.


Omdat op grond van de stamrechtovereenkomst de eerste uitkering in 2007 zou moeten worden gedaan en er in dat jaar een deel van de uitkering waarop de werknemer recht had is uitbetaald, ging het hof ervan uit dat besluit om de aanspraak prijs te geven in 2007 is genomen. Het hof was van oordeel dat de inspecteur de waarde van de stamrechtaanspraak terecht tot het inkomen uit werk en woning over het jaar 2007 van de werknemer heeft gerekend.

Nabetaling is onderdeel loon

Het loonbegrip in de fiscale wetgeving is ruim en omvat alle voordelen die iemand uit een

Het loonbegrip in de fiscale wetgeving is ruim en omvat alle voordelen die iemand uit een dienstbetrekking geniet. Vergoedingen die in het kader van de dienstbetrekking worden betaald zijn onderdeel van het loonbegrip.


Onder verwijzing naar het ruime loonbegrip heeft Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat een van een vroegere werkgever ontvangen nabetaling tot het loon behoorde. De vroegere werkgever had het bedrag na inhouding van loonbelasting betaald aan de advocaat van de werknemer. De advocaat verrekende de betaling met door de werknemer nog niet betaalde rekeningen. Volgens het hof heeft de advocaat de nabetaling namens de werknemer ontvangen en heeft de werknemer de nabetaling op deze manier genoten. De betaling vloeide voort uit een vroegere dienstbetrekking.