Project hinderbeperking grootschalige wegwerkzaamheden

De Wet IB 2001 kent een vrijstelling voor vergoedingen die bij grootschalige wegwerkzaamheden worden

De Wet IB 2001 kent een vrijstelling voor vergoedingen die bij grootschalige wegwerkzaamheden worden betaald aan verkeersdeelnemers om de hinder te beperken. De vrijstelling geldt voor deelnemers aan een project hinderbeperking gedurende maximaal twaalf maanden en tot een bedrag van niet meer dan € 200 per maand en € 1.200 per deelnameperiode. De voordelen voor deelnemers kunnen bestaan uit:



  • Geldelijke beloningen, uitgekeerd op de bankrekening.

  • Niet-geldelijke beloningen, zoals cadeaus, tegoedbonnen en spaarsystemen.

  • Vergoedingen voor alternatief vervoer, zoals een ov-budget of ov-kaart.

Voor zover de beloning door de werkgever van de deelnemer(s) wordt betaald, is sprake van loon uit dienstbetrekking. Daarvoor geldt deze fiscale vrijstelling niet. Wel kan de vergoeding mogelijk met toepassing van de werkkostenregeling onbelast worden uitbetaald.


De minister van Infrastructuur en Waterstaat (I en W) heeft het beleidskader vastgesteld waaraan projecten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de vrijstelling. Een aanvraag moet een omschrijving van de wegwerkzaamheden waaraan het project gekoppeld is, inclusief een planning, een onderbouwing van de verwachte verkeershinder en een inschatting van het aantal personen dat hinder ondervindt van de wegwerkzaamheden omvatten.


Voor de aanwijzing van projecten gericht op hinderbeperking geldt een budgettair belang van € 500.000 per jaar aan gederfde belastinginkomsten. Dit komt overeen met € 2.000.000 aan uitgekeerde beloningen aan deelnemers. Aanvragen die aan de gestelde voorwaarden voldoen worden geselecteerd op volgorde van het moment van indienen. Het ministerie van I en W bevestigt schriftelijk of een aanvraag wordt aan- of afgewezen. Bij aanwijzing wordt het project in de Staatscourant gepubliceerd.

Ketenregeling arbeidsrecht

De ketenregeling in het arbeidsrecht houdt in dat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde

De ketenregeling in het arbeidsrecht houdt in dat van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat na meer dan drie opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of na opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een totale duur van meer dan 24 maanden, inclusief eventuele tussenliggende perioden waarin niet is gewerkt voor dezelfde werkgever.


Een werknemer ontving na drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op naam van een andere werkgever. Feitelijk veranderde er niets: de werkzaamheden, de werktijden, aansturing, het loon en de naam op de loonstrookjes bleven hetzelfde. De werknemer was chauffeur en bleef ondanks de wijziging van werkgever in dezelfde vrachtwagen rijden. Kort voor het contractuele einde van de laatste arbeidsovereenkomst werd de werknemer ziek. De werkgever deelde daarop mee dat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd. De kantonrechter moest eraan te pas komen om de werkgever duidelijk te maken dat inmiddels sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Kwalificatie eigen woning

Vermogensbestanddelen van een particulier vallen in beginsel in box 3 van de inkomstenbelasting. Er geldt

Vermogensbestanddelen van een particulier vallen in beginsel in box 3 van de inkomstenbelasting. Er geldt een uitzondering voor de eigen woning. Deze valt in box 1. De inkomsten uit de eigen woning bestaan uit een percentage van de WOZ-waarde van de woning, verminderd met aftrekbare kosten zoals de betaalde rente van de financiering van de woning. De Wet IB 2001 stelt als voorwaarde voor de kwalificatie als eigen woning dat de woning aan de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden als hoofdverblijf ter beschikking staat. Een woning behoudt de kwalificatie eigen woning tijdens een periode van leegstand als de woning in het kalenderjaar of in een van de voorafgaande drie jaren een eigen woning was en de woning bestemd is voor verkoop. Op verzoek van een belastingplichtige kan een woning, die ten minste een jaar de eigen woning is geweest, maar die tijdelijk niet als hoofdverblijf dient, als eigen woning worden aangemerkt. Daarvoor gelden als voorwaarden dat de woning in die periode niet aan derden ter beschikking is gesteld en dat de belastingplichtige geen andere eigen woning heeft. De voorwaarde dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld, houdt in dat de woning niet wordt verhuurd en dat niet wordt gedoogd dat derden de woning gebruiken. Wel is toegestaan dat een kraakwacht in de woning verblijft.


Wanneer niet aan de voorwaarden is voldaan en dus geen sprake is van een eigen woning, gaan de woning en de daarop betrekking hebbende financieringsschuld naar box 3. Het gevolg daarvan is dat de betaalde rente niet langer aftrekbaar is van het inkomen in box 1. Het is belangrijk om u daarvan bewust te zijn. Recent zijn in de rechtspraak hiervan enkele voorbeelden aan de orde geweest.


Voorbeelden
Het eerste voorbeeld betrof een echtpaar, dat in verband met de uitzending voor het werk naar het buitenland de eigen woning in Nederland verliet. De woning werd te koop gezet. In afwachting van verkoop stond het echtpaar toe dat een recent gescheiden vriendin met haar kinderen de woning bewoonde. In ruil daarvoor zou de vriendin het huis netjes houden en potentiële kopers toegang verlenen tot de woning. Tijdens de periode van uitzending werd de woning niet verkocht. Toen het echtpaar terugkeerde naar Nederland verliet de vriendin op verzoek van het echtpaar de woning. Naar het oordeel van het gerechtshof was de vriendin geen kraakwacht. Zij had voor eigen gebruik de beschikking over de gehele woning. Het echtpaar had geen voorbehoud met betrekking tot gebruik van gedeelten van de woning gemaakt en heeft in de periode van uitzending ook geen gebruik van de woning gemaakt. Naar het oordeel van het hof was de woning aan een derde ter beschikking gesteld en stond deze niet leeg in afwachting van verkoop. Er was daarom geen sprake van een eigen woning in fiscale zin.


Het tweede voorbeeld betrof het gebruik van een woning door een neef van de belastingplichtige tijdens diens verblijf in het buitenland. De neef was student en studeerde in de woonplaats van de belastingplichtige. Wanneer hij in verband met zijn studie in de buurt moest zijn, logeerde de neef in de woning van de belastingplichtige. Volgens het gerechtshof behoorde de neef niet tot het huishouden van de belastingplichtige en moest de neef dus worden aangemerkt als een derde. Het hof vond van belang dat de neef toestemming had voor het gebruik van de woning en dat sprake was van meer dan incidenteel logeren. Dat de neef slechts gebruik maakte van één slaapkamer en van de algemene voorzieningen in de woning wil volgens het hof niet zeggen dat de woning niet aan derden ter beschikking werd gesteld. Ook in dit geval geen sprake van een eigen woning in fiscale zin.

Kabinetsreactie evaluatie 30%-regeling

De Wet op de loonbelasting biedt de mogelijkheid om de extra kosten die werknemers in het kader van hun

De Wet op de loonbelasting biedt de mogelijkheid om de extra kosten die werknemers in het kader van hun dienstbetrekking maken voor tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst, de zogenaamde extraterritoriale kosten, onbelast te vergoeden. In plaats van vergoeding van de werkelijke kosten kan ervoor gekozen worden om een forfaitaire onbelaste vergoeding te geven van maximaal 30% van het loon inclusief vergoeding. Deze regeling staat bekend als de 30%-regeling. De regeling is op gezamenlijk verzoek van werkgever en werknemer van toepassing gedurende maximaal acht jaar. De 30%-regeling kent drie doelstellingen:



  1. het aantrekken van werknemers uit het buitenland met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is;

  2. het leveren van een bijdrage aan het aantrekkelijk en competitief houden van het Nederlandse vestigingsklimaat;

  3. het verminderen van de administratieve lasten voor werkgevers en werknemers.

In opdracht van het ministerie van Financiën is in 2017 onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de 30%-regeling. Uit de evaluatie blijkt dat verkorting van de looptijd tot vijf jaar zorgt voor een hogere doelmatigheid terwijl de doeltreffendheid nauwelijks wordt beperkt. Het kabinet heeft de aanbeveling tot verkorting van de looptijd overgenomen en wil de looptijd van deze regeling per 1 januari 2019 verkorten van acht naar vijf jaar. De verkorting gaat gelden zowel voor nieuwe als voor bestaande gevallen. Uit de evaluatie bleek dat circa 80% van de werknemers de regeling niet langer gebruikt dan vijf jaar. Een substantieel deel van de overige gebruikers van de regeling blijkt zich langdurig in Nederland te vestigen. Het wetsvoorstel met de aanpassing zal, als onderdeel van het Belastingplan 2019, op Prinsjesdag worden aangeboden aan de Tweede Kamer.


Alleen werknemers die op meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens wonen voordat zij in Nederland gaan werken, komen in aanmerking voor de 30%-regeling. Uit de evaluatie blijkt dat werknemers uit naburige landen door de regeling vaak een overcompensatie krijgen omdat ze relatief lage reiskosten en geen hogere kosten van levensonderhoud hebben. Het kabinet neemt de aanbeveling om de 150 kilometergrens te verhogen niet over, gezien de weerstand daartegen en het arbitraire karakter van iedere grens.


Vooral bij hogere inkomens bestaat een groot verschil tussen de werkelijke extraterritoriale kosten en de forfaitaire vergoeding volgens de 30%-regeling. Een verlaging van het forfait voor hogere inkomens zou leiden tot een beter passende vergoeding. Dat zou kunnen door de 30%-regeling te beperken tot het vaste loon, de onbelaste vergoeding te maximeren of de grondslag voor het forfait te maximeren. Omdat uit de evaluatie blijkt dat de kracht van de 30%-regeling voor een belangrijk deel zit in de eenvoud van de regeling, kiest het kabinet ervoor om de vergoeding niet op een of andere wijze af te toppen.


Uit het buitenland afkomstige werknemer die gebruik maken van de 30%-regeling, maken ook vaak gebruik van de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht. Die keuzeregeling geldt eveneens voor maximaal acht jaar. Omdat volgens het kabinet na een verblijf in Nederland van vijf jaar geen sprake meer is van tijdelijk verblijf, heeft het kabinet het voornemen om de periode, waarin de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht van toepassing is, met drie jaar te verkorten tot maximaal vijf jaar.

Dienstverlening kinderopvangtoeslag moet verbeteren

De kinderopvangtoeslag wordt aanvankelijk als voorschot vastgesteld en uitbetaald. Ouders moeten zelf hun

De kinderopvangtoeslag wordt aanvankelijk als voorschot vastgesteld en uitbetaald. Ouders moeten zelf hun inkomen en het aantal uren opvang dat zij afnemen schatten. Deze schatting bepaalt de hoogte van het voorschot. Pas wanneer de werkelijke inkomensgegevens van ouders bekend zijn wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld. Blijkt het voorschot te hoog te zijn, dan wordt het verschil teruggevorderd. Dat leidt bij een deel van ouders tot financiële problemen, met name bij ouders met lage en wisselende inkomens.


Om dergelijke problemen te voorkomen was aanvankelijk bedacht om de toeslag niet meer door de Belastingdienst maar door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) uit te laten betalen. Het daartoe aangekondigde wetsvoorstel gaat echter niet door. In plaats daarvan kiest het kabinet voor verbetering van de dienstverlening van de Belastingdienst. Door verbetering van de werkwijze van de Belastingdienst kunnen de negatieve effecten van de voorschotsystematiek worden verzacht. Dat moet ertoe leiden dat minder ouders hoge bedragen moeten terugbetalen. Het kabinet verwacht dat de ervaringen met de verbeteringen rond de kinderopvangtoeslag kunnen helpen bij het verbeteren van het systeem rond andere toeslagen.

Vrijstelling sollicitatieplicht oudere werklozen

Om recht te hebben op een WW-uitkering is een werkloze verplicht om te solliciteren. Er geldt een

Om recht te hebben op een WW-uitkering is een werkloze verplicht om te solliciteren. Er geldt een vrijstelling van de sollicitatieplicht voor uitkeringsgerechtigden die op de eerste dag van hun werkloosheid minder dan één jaar van het recht op AOW-pensioen zijn verwijderd. Deze vrijstelling geldt nu ook voor werklozen, die tijdens de duur van hun WW-uitkering deze leeftijd bereiken. De vrijstelling gaat ook gelden voor mensen die een IOW-, ZW- of WGA-uitkering ontvangen. Hoewel de sollicitatieplicht ook voor ouderen tot meer werkhervatting leidt, is het effect van de uitbreiding van de vrijstelling beperkt.

Vergoeding reiskosten aan mantelzorgers

Onder voorwaarden zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten aftrekbaar. In de Wet IB 2001 wordt omschreven

Onder voorwaarden zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten aftrekbaar. In de Wet IB 2001 wordt omschreven welke categorieën van uitgaven aftrekbaar kunnen zijn. Het gaat onder meer om de kosten van extra gezinshulp. Voor aftrekbaarheid is vereist dat de uitgaven voor de gezinshulp meer bedragen dan een percentage van het zogenaamde verzamelinkomen voor de toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Verder is vereist dat er aan de hand van gedagtekende facturen kan worden aangetoond dat er uitgaven voor gezinshulp zijn gedaan. Ook reiskosten kunnen aftrekbaar zijn als zorgkosten. De reiskosten moeten dan zijn gemaakt voor het vervoer van een zieke voor het ondergaan van een medische behandeling.


In een procedure was de vraag aan de orde of iemand recht had op aftrek van de vergoedingen die hij betaalde aan twee van zijn kinderen die de mantelzorg voor hun rekening namen. Naar het oordeel van zowel de rechtbank als het gerechtshof waren deze uitgaven niet aftrekbaar. Wegens het ontbreken van facturen waaruit bleek dat uitgaven voor gezinshulp waren gedaan was niet aan de vereisten voor aftrek voldaan. Op de zitting was duidelijk geworden dat de uitgaven een vergoeding voor reiskosten van de mantelzorgers vormden. Ook om die reden konden de uitgaven niet als specifieke zorgkosten in aftrek worden gebracht, aangezien de reiskosten geen betrekking hadden op het vervoer van een zieke.

Aanpassing 30%-regeling aangekondigd

Voor uit het buitenland afkomstige werknemers geldt onder voorwaarden een gunstige fiscale regeling. Deze

Voor uit het buitenland afkomstige werknemers geldt onder voorwaarden een gunstige fiscale regeling. Deze zogenaamde 30%-regeling houdt in dat werkgevers tot 30% van de bruto beloning als een belastingvrije vergoeding kunnen betalen aan buitenlandse werknemers. De vergoeding is bedoeld voor de extra kosten die dergelijke werknemers maken in verband met hun tijdelijke verblijf in Nederland.


Het kabinet wil deze regeling per 1 januari 2019 verkorten van acht naar vijf jaar. De verkorting gaat gelden zowel voor nieuwe als voor bestaande gevallen. De voorgenomen aanpassing van de regeling is een gevolg van een in 2017 uitgevoerde evaluatie van de 30%-regeling. Hieruit bleek dat circa 80% van de werknemers de regeling niet langer gebruikt dan vijf jaar. Een substantieel deel van de overige gebruikers van de regeling blijkt zich langdurig in Nederland te vestigen. Het wetsvoorstel met de aanpassing zal, als onderdeel van het Belastingplan 2019, op Prinsjesdag worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Overgangsregeling spoedreparatie regime fiscale eenheid

Er komt een overgangsmaatregel bij de spoedreparatie van het regime van de fiscale eenheid in de

Er komt een overgangsmaatregel bij de spoedreparatie van het regime van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting. Dat heeft de staatssecretaris aangekondigd in antwoord op Kamervragen. Deze overgangsmaatregel moet de scherpste randjes van de aangekondigde reparatiemaatregelen halen. Doelstelling van de overgangsbepaling is te bewerkstelligen dat de reparatie van de renteaftrekbeperking tot en met 31 december 2018 niet van toepassing is op renten, kosten en valutaresultaten die betrekking hebben op een op 25 oktober 2017 om 11.00 uur bestaande schuld aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijke persoon. De schuld moet verband houden met één van de volgende rechtshandelingen:



  • een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal aan een verbonden lichaam of natuurlijke persoon;

  • een kapitaalstorting in een verbonden lichaam;

  • de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat daardoor een verbonden lichaam wordt.

Ook de rechtshandeling moet vóór 25 oktober 2017 zijn verricht. Het totale rentebedrag mag per twaalf maanden niet meer dan € 100.000 zijn. Wanneer de rente hoger is dan € 100.000 per twaalf maanden, dan is de overgangsmaatregel niet van toepassing. Dat betekent dat de renteaftrekbeperking wordt toegepast op het volledige bedrag aan rente aan verbonden personen of lichamen alsof er geen fiscale eenheid bestaat. De staatssecretaris verwacht hiermee het mkb voldoende gelegenheid te bieden om de financieringsstructuur aan te passen binnen de overgangsperiode om nadelige gevolgen van de reparatiemaatregelen te voorkomen.

Aansprakelijkheid werkgever

Werkgevers moeten zorgen voor een veilige werkomgeving. Doen zij dat niet, dan zij aansprakelijk voor de

Werkgevers moeten zorgen voor een veilige werkomgeving. Doen zij dat niet, dan zij aansprakelijk voor de schade die hun werknemers daardoor oplopen, tenzij de werknemer schade lijdt als gevolg van opzet of bewust roekeloos handelen.
Op grond van vaste jurisprudentie zijn werkgevers verplicht om een behoorlijke verzekering af te sluiten ter dekking van schade van werknemers, die in de uitoefening van hun werkzaamheden als bestuurder van een motorvoertuig betrokken kunnen raken bij een verkeersongeval. Als de werkgever niet heeft gezorgd voor een behoorlijke verzekering, is hij zelf aansprakelijk voor de schade die een werknemer door de tekortkoming van de werkgever heeft geleden.


Een procedure had betrekking op de vraag of de werkgever aansprakelijk was voor de door een werknemer geleden schade ten gevolge van een aanrijding tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Tussen partijen was niet in geschil dat de werknemer door een spoorwegovergang op te rijden terwijl een trein naderde, feitelijk roekeloos had gehandeld. De vraag was of het roekeloos handelen bewust was. Daarvan is niet snel sprake. Alleen wanneer uit de feiten zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de werknemer zich direct voorafgaand aan het ongeval bewust is geweest van de gevaarlijke situatie en tóch willens en wetens het risico heeft genomen, is sprake van bewust roekeloos handelen. Naar het oordeel van de kantonrechter deed zich hier een dergelijke situatie niet voor. Zelfs als de werknemer de overgang is opgereden toen de alarmlichten al brandden, het belsignaal was afgegaan en de halve slagboom naar beneden was, dan is volgens de kantonrechter niet uitgesloten dat de werknemer zich niet bewust was van de naderende trein, bijvoorbeeld omdat hij was afgeleid of de weg zocht. Volgens de kantonrechter zou het anders zijn geweest als de overgang was beveiligd door hele in plaats van halve slagbomen. De verklaring van de treinmachinist dat de werknemer stapvoets de overgang was opgereden, bevestigt volgens de kantonrechter de conclusie dat hij zich op dat moment niet bewust moet zijn geweest van zijn roekeloze gedrag.


Omdat de werkgever niet had voldaan aan zijn verplichting om te zorgen voor een behoorlijke verzekering die de schade van een verkeersongeval dekt, was hij aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval.