Steunmaatregelen sportverenigingen

Het kabinet heeft drie specifieke steunmaatregelen genomen voor de sportsector. Het gaat om de volgende

Het kabinet heeft drie specifieke steunmaatregelen genomen voor de sportsector. Het gaat om de volgende maatregelen:

  • kwijtschelding van huur;
  • stimuleringsregeling voor kleine verenigingen;
  • uitbreiding van het Waarborgfonds Sport.

Kwijtschelding huur

In overleg met de gemeenten is besloten dat sportverenigingen de huur over de periode van 15 maart tot en met 15 juni niet hoeven te betalen aan de gemeente.

Stimuleringsregeling voor kleine verenigingen

Sportverenigingen met een accommodatie in eigendom hebben te maken met de vaste lasten daarvan. Veel van deze verenigingen zijn te klein om in aanmerking te komen voor de rijksbrede regelingen. Voor deze groep is een bijdrage van € 2.500 per vereniging beschikbaar.

Uitbreiding Waarborgfonds Sport

De Stichting Waarborgfonds Sport verleent borgstellingen aan banken voor leningen aan  amateursportverenigingen. Het kabinet heeft hiervoor een aanvullend bedrag van € 10 miljoen beschikbaar gesteld aan het Waarborgfonds.

 

Bezwaar belastingheffing box 3 2019 aangewezen als massaal bezwaar

De Belastingdienst verwacht dat veel mensen bezwaar zullen maken tegen de vermogensrendementsheffing over

De Belastingdienst verwacht dat veel mensen bezwaar zullen maken tegen de vermogensrendementsheffing over het jaar 2019. De staatssecretaris van Financiën heeft daarom besloten om bezwaarschriften tegen de belastingheffing in box 3 over 2019 aan te wijzen als massaal bezwaar. Eerder gebeurde dat al met bezwaarschriften over de jaren 2017 en 2018. De aanwijzing als massaal bezwaar geldt alleen als de rechtsvraag de strijdigheid op regelniveau met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM betreft. Artikel 1 EP regelt het recht op het ongestoorde genot van eigendom. Belastingplichtigen, die willen deelnemen aan de massaalbezwaarprocedure 2019, moeten individueel en tijdig bezwaar maken tegen de aanslag inkomstenbelasting 2019. Alle bezwaarschriften, die vallen onder de regeling massaal bezwaar, kunnen in één keer worden afgedaan door de Belastingdienst.

In overleg met een vertegenwoordiging van fiscaal intermediairs zal een aantal bezwaarschriften worden geselecteerd om voor te leggen aan de rechter ter beantwoording van de rechtsvraag.

Als een bezwaarschrift ook betrekking heeft op andere geschilpunten dan de vermogensrendementsheffing doet de inspecteur het bezwaar op die punten individueel af.

Als in een bezwaarschrift ook het standpunt wordt ingenomen dat de vermogensrendementsheffing op individueel niveau in strijd is met het EVRM, dan loopt het bezwaarschrift voor dat standpunt niet mee in de massaalbezwaarprocedure. Het bezwaarschrift wordt dan gesplitst.

Uitstel inwerkingtreding wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding 2021

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onlangs het wetsvoorstel pensioenverdeling bij

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onlangs het wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding 2021 ingediend bij de Tweede Kamer. De Kamer heeft besloten dit wetsvoorstel pas na het zomerreces te behandelen. Dit betekent dat de inwerkingtreding per de beoogde datum 1 januari 2021 niet haalbaar is. De minister heeft de Tweede Kamer meegedeeld dat de beoogde inwerkingtredingsdatum wordt verschoven naar 1 januari 2022. Het wetsvoorstel zal door middel van een nota van wijziging worden aangepast.

Herzieningsvoorstel box 3 pas na de zomer naar Tweede Kamer

Op 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad in een aantal arresten over de vermogensrendementsheffing van box 3

Op 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad in een aantal arresten over de vermogensrendementsheffing van box 3 geoordeeld dat deze heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voor zover het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement lager is dan 1,2%. De arresten betreffen de jaren 2013 en 2014. De Hoge Raad heeft niet vastgesteld dat er voor de jaren 2013 en 2014 sprake is van een dergelijke schending omdat niet feitelijk is vastgesteld dat het gemiddeld haalbare rendement lager was dan 1,2%. De arresten gelden ook voor de jaren 2015 en 2016 omdat het box 3-stelsel in die jaren niet is gewijzigd.

Het kabinet heeft drie onafhankelijke juridische deskundigen gevraagd advies te geven over de toepassing van artikel 1 EP EVRM. Daarnaast is het CPB gevraagd om aan te geven welk rendement zonder risico gemiddeld haalbaar was in de jaren 2013 tot en met 2016.

De juridisch deskundigen adviseren de Staat om, als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in een van de jaren onder de 1,2% uitkomt, belastingplichtigen waar nodig te compenseren. Het CPB geeft aan dat niet duidelijk is welke cijfers gebruikt dienen te worden voor de berekeningswijze van het gemiddeld haalbare rendement. Op basis van het onderzoek van het CPB is het voor het kabinet niet eenduidig vast te stellen of het zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in de jaren 2013, 2014, 2015 of 2016 lager is dan 1,2%. Het kabinet streeft ernaar om in het najaar de kabinetsreactie op het advies van de drie deskundigen en de notitie van het CPB aan de Tweede Kamer te sturen. Dat betekent ook dat het wetsvoorstel ter aanpassing van box 3 niet zal worden ingediend voor het zomerreces, zoals eerder was toegezegd.

Ouderschapsverlof straks deels betaald

Het kabinet heeft een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) naar deeltijdwerk laten uitvoeren. Het

Het kabinet heeft een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) naar deeltijdwerk laten uitvoeren. Het rapport van dit onderzoek is, met een reactie van het kabinet, naar de Tweede Kamer gestuurd. Het rapport geeft een overzicht van voor- en nadelen van deeltijdwerk, zowel op individueel als op maatschappelijk niveau. Naar aanleiding van het IBO kondigt het kabinet de invoering van betaald ouderschapsverlof aan. Dat verlof komt in aanvulling op het recent uitgebreide geboorteverlof voor partners. De uitbreiding van het geboorteverlof gaat in op 1 juli 2020. De invoering van betaald ouderschapsverlof zou moeten gebeuren per 21 augustus 2022. Gedurende negen van de huidige 26 weken onbetaald ouderschapsverlof komt er een uitkering van 50% van het dagloon van de werknemer. Dit betaalde ouderschapsverlof moet in het eerste levensjaar van het kind worden opgenomen. De huidige regeling van onbetaald ouderschapsverlof gedurende maximaal 26 weken geldt voor de eerste acht jaar van het kind. Een wetsvoorstel met deze regeling zal na de zomer worden ingediend.

Het IBO is aanleiding voor het kabinet om vrijwillige uitbreiding van uren met name bij kleine arbeidscontracten te stimuleren. Vier op de tien vrouwen verdienen onvoldoende om de ondergrens van economische zelfstandigheid te halen. Zij lopen daarmee een risico op armoede. In dat kader gaat het kabinet alternatieven ontwikkelen voor het stelsel van ondersteuning van gezinnen met jonge kinderen. Dat moet ouders stimuleren om actief te blijven op de arbeidsmarkt. De huidige regeling van de kinderopvangtoeslag doet dat niet, aangezien de toeslag daalt met het stijgen van het inkomen. Daarnaast gaat het kabinet beleid richten op openingstijden van kinderopvang en scholen om belemmeringen weg te nemen om meer uren te werken. Samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en het onderwijs kan daar aan bijdragen.

Het IBO stelt vier mogelijke beleidsrichtingen voor:

  1. Bevorderen van economische zelfstandigheid. Dit kan door betaald werken aan de onderkant van de arbeidsmarkt lonender te maken en de inkomensondersteuning te verminderen.
  2. Het vergroten van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
  3. Bevorderen van het totale arbeidsaanbod. Hiertoe moeten maatregelen, die de minstverdienende partner stimuleren om meer te werken, worden gecombineerd met maatregelen waarmee het huishouden ontzorgd wordt.
  4. De verschillen in de belastingdruk tussen een- en tweeverdienershuishoudens moeten worden verkleind. De fiscale instrumenten die zijn gericht op de minstverdienende partner moeten daarvoor afgebouwd worden.

Daarnaast heeft het IBO vier besparingsvarianten uitgewerkt. Dit zijn het verlagen van het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), het afbouwen van de IACK met de leeftijd van het jongste kind, het verlagen van de alleenstaande oudertoeslag in het kindgebonden budget en het afhankelijk maken van de opbouw van de AOW-rechten van het aantal jaren dat iemand meer dan 70% van het wettelijk minimumloon verdient.

Aanvragen corona-overbruggingslening mogelijk vanaf 29 april

Een van de maatregelen die het kabinet heeft getroffen ter bestrijding van de gevolgen van de

Een van de maatregelen die het kabinet heeft getroffen ter bestrijding van de gevolgen van de coronacrisis is een kredietfaciliteit voor startups, scale-ups en innovatieve mkb’ers. Het kabinet heeft € 100 miljoen beschikbaar gesteld voor overbruggingskredieten aan deze doelgroep. Vanaf 29 april om 09.00 uur kunnen deze bedrijven een aanvraag doen voor een corona-overbruggingslening (COL). De regeling wordt uitgevoerd door de regionale ontwikkelingsmaatschappijen.

Corona-overbruggingslening

De COL is een overbruggingslening onder gunstige condities. De hoogte van de leningen varieert van € 50.000 tot € 2 miljoen. Bij bedragen boven € 250.000 moeten de aandeelhouders of andere investeerders 25% van het gevraagde bedrag inleggen. De rente bedraagt 3% per jaar. De looptijd is drie jaar, met de mogelijkheid van vervroegde aflossing. Het streven is om aanvragen tot € 500.000 binnen vier tot negen werkdagen af te handelen. 

Om in aanmerking te komen voor de COL moeten ondernemers kunnen aantonen dat zij deze lening nodig hebben vanwege de huidige economische situatie en dat zij een duurzaam en gezond toekomstperspectief hebben. Bij de aanvraag moeten de volgende gegevens worden toegevoegd:

  • een toelichting op de relatie tussen de coronacrisis en de liquiditeitsbehoefte;
  • de jaarrekeningen van 2018 en 2019;
  • de oorspronkelijke begroting 2020;
  • bestaande leningsovereenkomsten;
  • een businessplan;
  • een actuele liquiditeitsprognose op 12-maands forecastbasis;
  • een toelichting op en specificatie van de maandelijkse burnrate/runway.

De aanvraag van de COL gaat digitaal via https://www.techleap.nl/content/bridgefinancing-portal/

Uitbreiding doelgroep Tozo

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer meegedeeld dat de doelgroep van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) wordt uitgebreid. Toegevoegd worden zelfstandigen in grenssituaties en zelfstandige AOW-gerechtigden.

Zelfstandigen in grenssituaties

Ook de in Nederland wonende zelfstandige ondernemer met een bedrijf in een andere EU-lidstaat kan een beroep doen op de Tozo als voorziening in zijn levensonderhoud. De ondernemer die in een andere EU-lidstaat woont en een bedrijf in Nederland heeft, kan met een beroep op de Tozo in aanmerking komen voor een lening voor bedrijfskapitaal. Voor levensonderhoud dient deze ondernemer zich te melden in zijn woonland. De staatssecretaris wil één gemeente aanwijzen waar deze groep ondernemers de aanvraag kan indienen voor bedrijfskapitaal. 

AOW-gerechtigde zelfstandigen

AOW-gerechtigde zelfstandigen kunnen met een beroep op de Tozo in aanmerking komen voor een lening voor bedrijfskapitaal. Tot nu toe was deze groep ondernemers uitgesloten van de Tozo.

Verrekening van inkomsten met de Tozo

Alleen inkomen dat betrekking heeft op de periode waarover Tozo wordt aangevraagd zal worden verrekend met de uitkering. Bij inkomen uit arbeid gaat het om de periode waarin de arbeid is verricht. Met een factuur voor werk in februari, die betaald wordt in maart, wordt geen rekening gehouden bij het bepalen van de Tozo-uitkering.

De grenswerkers en AOW-gerechtigde zelfstandigen kunnen een beroep doen op de Tozo nadat de aangepaste ministeriële regeling is gepubliceerd.

Aanbiedingsplicht bij verkoop woning geen reden voor verlaging eigenwoningforfait

Een eigen woning is de onroerende zaak die de eigenaar anders dan tijdelijk ter beschikking staat als

Een eigen woning is de onroerende zaak die de eigenaar anders dan tijdelijk ter beschikking staat als hoofdverblijf. De belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning verminderd met de aftrekbare kosten. De voordelen uit eigen woning bestaan uit het zogenaamde eigenwoningforfait. Dat is een percentage van de WOZ-waarde van de woning.

In een procedure voor Hof Den Bosch was de vraag aan de orde of de belanghebbende recht had op vermindering van het eigenwoningforfait. De belanghebbende baseerde zijn aanspraak op vermindering op de aanbiedingsplicht die hij bij de aankoop van de woning had geaccepteerd. Op grond van deze aanbiedingsplicht had de oorspronkelijke verkoper het recht de woning te kopen voor 50% van de waarde in het economisch verkeer. De belanghebbende had de woning met eenzelfde korting gekocht.

De eigenwoningregeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat een belastingplichtige op zijn eigen woning een rendement in natura ontvangt in de vorm van woongenot. De omvang van het woongenot wordt niet verminderd door een beperking van de vervreemdingsbevoegdheid, zoals de aanbiedingsplicht. Het hof zag geen aanleiding om het eigenwoningforfait voor de belanghebbende te matigen.

Waardering grond op openingsbalans

Bij het einde van een onderneming moet de ondernemer afrekenen met de Belastingdienst over de in de

Bij het einde van een onderneming moet de ondernemer afrekenen met de Belastingdienst over de in de onderneming aanwezige meerwaarde.  Voor zover het bezittingen van de onderneming betreft bestaat de meerwaarde uit het verschil tussen de verkoopopbrengst of de waarde in het economische verkeer en de boekwaarde van de bezitting.

In een procedure bij de Hoge Raad was de boekwaarde van landbouwgrond in geschil. Omdat op grond niet wordt afgeschreven, betrof de discussie de waardering van de grond op de openingsbalans van de ondernemer. De grond was in verpachte staat aangekocht door de echtgenote van een landbouwer. Aanvankelijk verpachtte zij de grond aan haar echtgenoot. Per 31 december 2000 werd de nog lopende pachtovereenkomst beëindigd zonder enige vergoeding voor de pachter. De onderneming werd voortgezet in een maatschap tussen beide echtgenoten. De vrouw bracht het recht van gebruik en genot van de grond in. Zij rekende de grond tot haar buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen. Op de openingsbalans per 1 januari 2001 werd de grond opgenomen voor de waarde in vrij opleverbare staat.

Naar het oordeel van de Hoge Raad was dat niet terecht. Volgens de maatschapsakte kwam aan de echtgenoot het gebruiksrecht van de grond toe. Dat gebruiksrecht had een waardedrukkend effect. Dit waardedrukkende effect was aanwezig op het moment waarop de grond tot het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen van de echtgenote ging behoren omdat de grond toen niet meer in vrij opleverbare staat verkeerde. De waarde van de grond op de openingsbalans is gesteld op 50% van de waarde vrij opleverbaar

Rapport commissie belastingheffing van multinationals

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën een commissie van deskundigen

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën een commissie van deskundigen ingesteld die moet adviseren over maatregelen om de belastingheffing over winsten van multinationals eerlijker te maken. De commissie adviseert om structureel meer gegevens te verzamelen om het inzicht in de belastingafdracht van multinationals te vergroten. De commissie benadrukt het belang van Nederland om voorop te lopen in de internationale samenwerking op het gebied van winstbelastingen. Tot slot beveelt de commissie een “basisvariant” van eenzijdige grondslagverbredende maatregelen aan.

De commissie benadrukt het belang van stabiliteit en voorspelbaarheid van de fiscale regelgeving voor een eerlijke belastingheffing. De commissie heeft een vijftal zaken onderzocht:

  1. Het belang van de vennootschapsbelasting voor het vestigingsklimaat.
  2. De verhouding van de Nederlandse vennootschapsbelasting tot de winstbelasting in andere landen.
  3. De verandering van de vennootschapsbelastingopbrengsten in de tijd en in verhouding tot andere landen.
  4. Hoeveel vennootschapsbelasting multinationals in Nederland betalen in verhouding tot andere soorten bedrijven.
  5. Welke knelpunten in de vennootschapsbelasting kunnen bijdragen aan een onevenwichtige belastingafdracht van multinationals.

Internationale samenwerking is volgens de commissie de belangrijkste weg naar een goed functionerend internationaal belastingsysteem. In dat systeem moet belastingconcurrentie tussen landen aan banden worden gelegd.

Unilaterale beleidsopties voor Nederland

De commissie adviseert een “basisvariant” van maatregelen om de grondslag in de vennootschapsbelasting te verbreden. De commissie heeft daarbij twee doelstellingen gehanteerd.

  1. Het creëren van een ondergrens in de vennootschapsbelasting voor bedrijven met winstgevende activiteiten in Nederland.
  2. Het elimineren van verschillen ("mismatches") met het buitenland.

De basisvariant omvat de volgende maatregelen:

  1. Beperking van de verrekening van verliezen uit voorgaande jaren tot maximaal 50% van de belastbare winst, in combinatie met een onbeperkte verliesverrekeningstermijn.
  2. Beperking van de aftrek van aandeelhouderskosten tot een maximum percentage van de belastbare winst.
  3. Beperking van de aftrek van royalty’s tot een maximum percentage van de belastbare winst.
  4. Beperking van de aftrek van rente en aandeelhouderskosten en eventueel royalty’s gezamenlijk tot een maximum percentage van de belastbare winst.
  5. Maak de bestaande CFC-regels effectiever door uitgekeerde winsten te belasten en de uitzondering voor wezenlijke economische activiteiten aan te passen.
  6. Pas het arm’s-lengthbeginsel niet toe indien dit beginsel leidt tot een verlaging van de belastbare winst in Nederland als het andere land dat bij de transactie betrokken is de correctie niet in haar grondslag betrekt.
  7. Beperk de afschrijving op vermogensbestanddelen die binnen een concern zijn overgedragen voor zover het gaat om stille reserves die bij de overdracht niet voldoende belast zijn geweest.

Naast de basisvariant heeft de commissie enkele aanvullende maatregelen voorgesteld.

  1. Aanscherpen van de earningstrippingmaatregel door de aftrekbare rente te verlagen van 30 naar 25% van de EBITDA.
  2. Beperking van de aftrek van rente die samenhangt met de aankoop van deelnemingen.
  3. Uitbreiding van de aftrekbeperking van rente naar royalty- en huurbetalingen
  4. Beperking van de aftrekbaarheid van alle betalingen binnen concern die in het ontvangende land onvoldoende belast zijn.
  5. Uitbreiding van de bestaande CFC-maatregel naar actieve inkomsten.
  6. Invoering van een niet-conditionele bronheffing op rente en royalty’s.