Vergoeding deelname medicijnonderzoek

Voor de deelname als proefpersoon aan medicijnonderzoek worden vergoedingen betaald. Voor zover deze

Voor de deelname als proefpersoon aan medicijnonderzoek worden vergoedingen betaald. Voor zover deze vergoedingen niet zien op directe kosten zoals reiskosten, zijn de vergoedingen onderdeel van het resultaat uit overige werkzaamheden. Deze worden belast in box 1 van de inkomstenbelasting.


Het onderzoeksinstituut dat de vergoedingen betaalde, maakte in de aan de deelnemers verstrekte informatie melding van het bruto karakter van de vergoedingen en de verplichting van het instituut om de betaalde vergoedingen aan de Belastingdienst door te geven. De rechtbank is van mening dat het ter beschikking stellen van het lichaam voor het ondergaan van proeven een dienst is. De daarvoor ontvangen vergoedingen behoren tot het belastbare inkomen uit werk en woning omdat er sprake is van deelname aan het economisch verkeer, de vergoeding redelijkerwijze kan worden verwacht en aannemelijk is dat de deelnemer de vergoeding heeft beoogd.

Aanpassing arbeidsvoorwaarden via reglement

In een arbeidsovereenkomst was een bepaling opgenomen waarin werd verwezen naar het

In een arbeidsovereenkomst was een bepaling opgenomen waarin werd verwezen naar het arbeidsvoorwaardenreglement van de werkgever. In het arbeidsvoorwaardenreglement stond dat het deel uitmaakte van de individuele arbeidsovereenkomst. Het reglement bevatte een wijzigingsbeding. De vraag was of tussen de werkgever en de OR overeen te komen wijzigingen van het arbeidsvoorwaardenreglement gevolgen hadden voor iemands arbeidsovereenkomst. Meer in het bijzonder ging het om een nieuwe bepaling in het arbeidsvoorwaardenreglement waardoor werknemers boven een bepaald salarisniveau geen recht hadden op een collectieve verhoging, zoals indexatie, van hun salaris.


De ondernemingsraad kan, als er geen cao is, met de werkgever een collectieve regeling van arbeidsvoorwaarden afspreken. De werkgever heeft dan nog wel een (stilzwijgend) akkoord van de werknemer nodig. Door het in de arbeidsovereenkomst opgenomen incorporatiebeding werken bestaande en toekomstige afspraken tussen de werkgever en de OR door in de arbeidsovereenkomst. Door ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft de individuele werknemer ingestemd met het arbeidsvoorwaardenreglement en daarmee met de bepaling die de OR de bevoegdheid geeft om namens de individuele werknemer met de ondernemer te onderhandelen en wijzigingen overeen te komen.

KIA en investeringen binnen en buiten maatschapsverband

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is een regeling die is bedoeld om investeringen van relatief

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is een regeling die is bedoeld om investeringen van relatief geringe omvang in bedrijfsmiddelen van een onderneming te stimuleren. Wanneer een onderneming onderdeel is van een samenwerkingsverband wordt voor de berekening van de toe te kennen KIA uitgegaan van het investeringsbedrag van het samenwerkingsverband. Vervolgens wordt aan ieder onderdeel van het samenwerkingsverband een deel van de berekende KIA toegerekend. Per 1 januari 2010 is de regeling gewijzigd en wordt de hoogte van de KIA niet meer uitsluitend bepaald aan de hand van een percentage van het investeringsbedrag. Er geldt een vast bedrag aan KIA voor investeringsbedragen binnen de derde schijf. Bij deze wijziging is de rekenregel voor investeringen van een samenwerkingsverband en eventuele buitenvennootschappelijke investeringen van een lid van het samenwerkingsverband niet aangepast.


Hof Den Bosch heeft onlangs moeten oordelen over het bedrag aan KIA waarop een lid van een maatschap recht had. Het totaalbedrag van de investeringen van de maatschap en in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen van het lid van de maatschap lag tussen de in 2013 geldende grensbedragen van de derde schijf van € 55.248 en € 102.311. Op basis daarvan claimde het lid van de maatschap een bedrag aan KIA van € 15.470. Dat was gelijk aan het in de derde schijf geldende vaste bedrag. De inspecteur hanteerde een afwijkende rekenmethode. Hij deelde het bedrag aan KIA van € 15.470 door het totaal aan investeringen in vennootschappelijk en buitenvennootschappelijk vermogen van € 97.032. Dat kwam uit op 15,94% van de totale investeringen. Van de investeringen van de maatschap rekende de inspecteur 1/6 deel toe aan iedere maat. De investeringen van deze maat bedroegen in totaal € 63.268. Over dat bedrag kende de inspecteur 15,94% KIA toe. Dat kwam uit op een bedrag van € 10.085.


Volgens de inspecteur was zijn berekeningswijze juist, gelet op doel en strekking van de wet. Het hof deelde deze opvatting niet. Het hof rekende voor dat de andere leden van het samenwerkingsverband, veronderstellende dat zij geen andere investeringen hebben gedaan, ieder recht op € 1.891 aan KIA hadden (1/6 maal € 40.517 maal 28%). Het totaalbedrag aan KIA voor de overige vijf maten kwam daarmee op € 9.455. Dat bedrag opgeteld bij het bedrag aan KIA waarop de zesde maat recht had volgens de berekening van de inspecteur, zou leiden tot een hoger totaal genoten bedrag aan KIA dan het bij de totale investeringen behorende bedrag van € 15.470. Daarmee klopte de redenering van de inspecteur, dat over het totaal geïnvesteerde bedrag niet meer KIA kon worden geclaimd dan € 15.470, niet. De rekenregel, die de inspecteur hanteerde, vindt geen steun in de wettekst of in de wetsgeschiedenis.

Verrekening van verliezen

Verliezen in de vennootschapsbelasting kunnen verrekend worden met winsten van eerdere of latere jaren.

Verliezen in de vennootschapsbelasting kunnen verrekend worden met winsten van eerdere of latere jaren. De verrekening van verliezen is niet onbeperkt in de tijd. Een verlies uit een jaar kan worden verrekend met de winst van het voorgaande jaar en met de winsten van de negen jaar volgende jaren. Verrekening van een verlies geschiedt in de volgorde waarin de winsten zijn ontstaan, dat wil zeggen eerst voor zover mogelijk met de winst van het oudste jaar. Verliezen worden door de Belastingdienst bij beschikking vastgesteld. Het verdient aanbeveling om deze beschikking na ontvangst te (laten) controleren. Let ook goed op de verrekentermijnen.


Op de aanslag Vpb 2013 van een bv stond een bedrag aan niet verrekende verliezen van € 153.838 vermeld. Dat bedrag was volgens mededeling op het aanslagbiljet opgebouwd uit verrekenbare en niet-verrekenbare verliezen uit het verleden plus het vastgestelde verlies van het boekjaar 2013. In de aangifte 2014 vermeldde de bv een winst van € 144.283. Na verrekening van verliezen bedroeg het belastbaar bedrag volgens de aangifte nihil. De Belastingdienst verrekende bij de aanslag slechts € 117.670 aan verlies omdat het restant niet meer verrekenbaar was, aangezien de termijn van negen jaar al voor 2014 was verstreken.


De rechtbank was van oordeel dat van het ultimo 2013 aanwezige verlies van € 153.838 een bedrag van € 36.168 door tijdsverloop niet meer verrekenbaar was. De vermelding van een bedrag aan niet-verrekende verliezen inclusief een bedrag aan niet-verrekenbare verliezen leidt niet tot het in rechte te beschermen vertrouwen dat in afwijking van de wettelijke regeling het gehele verlies nog verrekenbaar zou zijn. Dat kwam door de expliciete vermelding op het aanslagbiljet dat het bedrag aan niet verrekende verliezen ook niet-verrekenbare verliezen omvatte. De Belastingdienst had bij de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelasting over 2014 het juiste bedrag aan verliezen verrekend.

Vaststellingsovereenkomst ter vermijding ontslag op staande voet

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod van de ene partij dat wordt aanvaard door de andere

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod van de ene partij dat wordt aanvaard door de andere partij. Voor een geldig aanbod en een geldige aanvaarding vereist de wet dat de wil en de verklaring van degene die aanbiedt en van degene die aanvaardt met elkaar overeenstemmen. Wanneer een van de partijen zich erop beroept dat zijn wil niet met zijn verklaring overeenstemt, zal hij dat moeten onderbouwen met argumenten.


Voor een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van een dienstbetrekking geldt een wettelijke bedenktermijn van veertien dagen. Binnen deze termijn kan de werknemer de overeenkomst ontbinden.


Een werknemer werd op staande voet ontslagen wegens ongewenst gedrag. Tijdens het gesprek waarin aan hem een ontslagbrief werd uitgereikt, bood de werkgever de werknemer de mogelijkheid om in plaats van het ontslag op staande voet het dienstverband via een vaststellingsovereenkomst te laten eindigen. De werknemer accepteerde deze mogelijkheid en ondertekende de hem voorgelegde vaststellingsovereenkomst. Na het verstrijken van de wettelijke bedenktermijn van veertien dagen voor de vaststellingsovereenkomst bestreed de werknemer de overeenkomst omdat deze niet geldig tot stand zou zijn gekomen.


De kantonrechter was van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig was, met als gevolg dat de dienstbetrekking was geëindigd. De werknemer maakte niet aannemelijk dat de werkgever hem onder druk had gezet om de vaststellingsovereenkomst te sluiten. Ook het beroep op dwaling bij de totstandkoming van de overeenkomst wees de kantonrechter af.
Met een beroep op dwaling ingeval van een vaststellingsovereenkomst wordt in de rechtspraak terughoudend omgegaan. Partijen kunnen alleen een beroep doen op dwaling ten aanzien van zaken die zij als zeker en onbetwist aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd. Daarvan was in dit geval geen sprake.

Asbestsanering monumentenpand

Anders dan de onderhoudskosten van een normale woning zijn de onderhoudskosten van een monumentenpand

Anders dan de onderhoudskosten van een normale woning zijn de onderhoudskosten van een monumentenpand aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. De aftrekbaarheid is beperkt tot de kosten die gemaakt worden om het pand in bruikbare staat te herstellen of te houden.


Een van de eigenaren van een monumentenpand, dat was verbouwd tot appartementen, wilde als onderdeel van de onderhoudskosten van het pand de kosten van asbestsanering in aftrek brengen. De inspecteur weigerde de aftrek omdat de kosten alleen noodzakelijk zouden zijn vanwege de verbouwing tot appartementen en daarmee geen onderhoudskosten waren. Hof Arnhem-Leeuwarden stond de aftrek wel toe. Uit een rapport van het bouwbedrijf en de asbestsaneerder bleek dat op veel plaatsen in het pand asbest aanwezig was. De asbestplaten waren al voor de verbouwing op meerdere plekken beschadigd door boren, spijkers en schroeven. Daardoor bestond het risico dat asbestdeeltjes zouden vrijkomen. Naar het oordeel van het hof was asbestsanering noodzakelijk om het pand in bruikbare staat te krijgen, ook als het pand niet verbouwd zou zijn.

Overtreding geheimhoudingsbeding

De arbeidsovereenkomst van een werknemer bevatte een geheimhoudingsbeding, een non-concurrentie- en een

De arbeidsovereenkomst van een werknemer bevatte een geheimhoudingsbeding, een non-concurrentie- en een relatiebeding. Het was de werknemer verboden om zowel gedurende als na afloop van de arbeidsovereenkomst aan derden mededeling te doen van zaken die hem bij de uitoefening van zijn functie ter kennis waren gekomen. De geheimhouding had ook betrekking op kennis van cliënten en relaties van de werkgever. Op overtreding van de bedingen stond een boete.


De werknemer werd op staande voet ontslagen omdat hij zowel het geheimhoudings- als het concurrentiebeding had overtreden. De werknemer had zijn baan opgezegd omdat hij elders aanmerkelijk meer kon verdienen. Kort nadat hij had opgezegd had hij het klantenbestand en de afnamecijfers van de klanten naar het emailadres van zijn echtgenote verstuurd. Nadat de werkgever had vernomen dat de werknemer bij een directe concurrent in dienst wilde treden, werd de werknemer geschorst en werd zijn laptop ingenomen. De werkgever ontdekte de overtreding van het geheimhoudingsbeding en ontsloeg de werknemer op staande voet. Dat ontslag hield stand bij de kantonrechter, gezien de ernst van de gedragingen van de werknemer.


De kantonrechter veroordeelde de werknemer tot betaling van € 5.000 boete voor het overtreden van het geheimhoudingsbeding en tot betaling van een maandsalaris wegens het geven van aanleiding tot ontslag op staande voet. Verder verbood de kantonrechter de werknemer om gegevens van de werkgever nog langer onder zich te hebben of te delen met derden. Alle bescheiden en documenten die de werknemer nog van de werkgever in zijn bezit had moest hij binnen 24 uur aan de werkgever overhandigen onder oplegging van een dwangsom van € 2.500 per dag. Voor zover er gegevens op zijn computer of die van zijn echtgenote stonden, moest de werknemer die vernietigen. Om te bewijzen dat dit was gebeurd, moest de werknemer toestaan dat een daarvoor gekwalificeerd bedrijf die computers onderzocht. De kosten van dat onderzoek kwamen voor rekening van de werkgever.

Wijzigingen loonbelasting 2018

WerkkostenregelingDe vrije ruimte voor onbelaste vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers bedraagt

Werkkostenregeling
De vrije ruimte voor onbelaste vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers bedraagt ongewijzigd 1,2% van de fiscale loonsom. Voor een maaltijd in een bedrijfskantine geldt als normbedrag € 3,35 per maaltijd. Voor huisvesting en inwoning geldt als normbedrag € 5,55 per dag.


Privégebruik auto
Werknemers met een auto van de zaak, die zij ook privé mogen gebruiken, worden geconfronteerd met een bijtelling bij hun salaris. De bijtelling is een percentage van de cataloguswaarde van de auto inclusief omzetbelasting. Bepalend voor de hoogte van het percentage van de bijtelling zijn de CO2-uitstoot en de datum van eerste toelating op de weg van de auto. Voor nieuw toegelaten auto’s geldt een verlaagde bijtelling van 4% wanneer zij geen C02-uitstoot hebben. In alle andere gevallen bedraagt de bijtelling 22%.


Tot en met 2016 golden nog verschillende verlaagde percentages. Deze verlaagde percentages en uitstootgrenzen gelden gedurende maximaal 60 maanden. Auto’s van voor 2017, waarvoor een verlaagd bijtellingspercentage geldt, vallen na de periode van 60 maanden onder de destijds geldende standaardbijtelling van 25% en niet onder het huidige algemene percentage van 22.


Pensioenrichtleeftijd
De pensioenrichtleeftijd is met ingang van 1 januari 2018 verhoogd van 67 naar 68 jaar. De verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft gevolgen voor de toegelaten opbouwpercentages voor beschikbare premieregelingen.

Bedragen kindregelingen 2018

KinderbijslagMet ingang van 1 januari 2018 gelden de volgende bedragen per kind per kwartaal:

Kinderbijslag
Met ingang van 1 januari 2018 gelden de volgende bedragen per kind per kwartaal:
















 Leeftijd kind  Bedrag
 0 t/m 5 jaar  € 198,38
 6 t/m 11 jaar  € 240,89
 12 t/m 17 jaar  € 283,40


Kinderopvang
De maximum uurprijzen voor dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang voor 2018 zijn als volgt:



  • dagopvang € 7,45;

  • buitenschoolse opvang € 6,95;

  • gastouderopvang € 5,91.

Kindgebonden budget
Voor het kindgebonden budget gelden de volgende bedragen op jaarbasis:



















 Aantal kinderen  Inkomen tot € 20.450
 1  € 1.152
 2  € 2.129
 3  € 2.417
 4  € 2.705


Voor ieder volgend kind wordt het kindgebonden budget verhoogd met € 288. Verder geldt een verhoging van het kindgebonden budget voor 12- tot 15-jarigen van € 236 per jaar. De verhoging voor 16- en 17-jarigen is € 421 per jaar. Voor een alleenstaande ouder wordt het kindgebonden budget verhoogd met € 3.101. Het recht op kindgebonden budget vervalt als het vermogen in box 3 op 1 januari groter is dan € 113.415 voor een alleenstaande en € 143.415 voor partners. Bij een inkomen hoger dan € 20.450 daalt het kindgebonden budget met 6,75% van het meerdere inkomen.

Loonkostenvoordelen en lage-inkomensvoordeel 2018

Loonkostenvoordelen (LKV)LKV is een nieuwe regeling ter vervanging van de premiekortingen. LKV zijn een

Loonkostenvoordelen (LKV)
LKV is een nieuwe regeling ter vervanging van de premiekortingen. LKV zijn een tegemoetkoming voor werkgevers die een of meer oudere werknemers en/of werknemers met een arbeidsbeperking vanuit een uitkeringssituatie in dienst nemen of houden. Voorwaarde voor het ontvangen van LKV is een kopie van de doelgroepverklaring van de werknemer.


De regeling kent vier doelgroepen:



  • oudere werknemers (56 jaar en ouder);

  • arbeidsbeperkte werknemers, die nieuw in dienst komen;

  • werknemers uit de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden;

  • arbeidsbeperkte werknemers, die worden herplaatst.

Voor het recht op LKV moet de werknemer aan alle voorwaarden van de doelgroep voldoen en een doelgroepverklaring LKV hebben aangevraagd bij het UWV. De hoogte van LKV is afhankelijk van de doelgroep van de werknemer.
























 Doelgroep  LKV per verloond uur  Maximum per jaar
 Oudere werknemers (56 jaar en ouder)  € 3,05  € 6.000
 Arbeidsbeperkte werknemers die nieuw in dienst komen  € 3,05  € 6.000
 Arbeidsbeperkte werknemers die herplaatst worden  € 3,05  € 6.000
 Werknemers uit de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden   € 1,01  € 2.000

LKV over 2018 worden in 2019 uitbetaald.


Lage-inkomensvoordeel (LIV)
Werkgevers die werknemers met een laag loon in dienst hebben, kunnen recht hebben op een tegemoetkoming in de loonkosten, het lage-inkomensvoordeel. Het LIV over 2018 wordt in 2019 uitbetaald. Het LIV geldt voor een werknemer met een gemiddeld uurloon tussen 100% en 125% van het wettelijk minimumloon, die ten minste 1.248 uur heeft gewerkt en die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Het aantal gewerkte uren geldt ook voor een werknemer die slechts een deel van het kalenderjaar werkt. Het uurloon wordt berekend door het jaarloon te delen door het aantal verloonde uren. Het LIV geldt ook voor werknemers die jonger zijn dan 23 jaar indien zij aan de overige voorwaarden voldoen.


Voor 2018 gelden de volgende bedragen:



  • voor werknemers met een gemiddeld uurloon tussen € 9,82 en € 10,81 bedraagt het LIV € 1,01 per uur tot een maximum van € 2.000 per werknemer per jaar; 

  • voor werknemers met een gemiddeld uurloon tussen € 10,81 en € 12,29 bedraagt het LIV € 0,51 per uur tot een maximum van € 1.000 per werknemer per jaar.

Het LIV wordt door het UWV berekend aan de hand van gegevens uit de ingediende loonaangiften en uit de polisadministratie.


Jeugd lage-inkomensvoordeel (Jeugd-LIV)
Ter compensatie van de verhoging van de minimumjeugdlonen voor 18- tot 21-jarigen en de verlaging van de leeftijdsgrens voor het volledige minimumloon van 23 naar 22 jaar heeft een werkgever met ingang van 1 januari 2018 recht op het Jeugd-LIV. Het Jeugd-LIV geldt voor werknemers die:



  • verzekerd zijn voor één of meer werknemersverzekeringen;

  • een gemiddeld uurloon hebben dat hoort bij het wettelijk minimumloon voor hun leeftijd; en

  • op 31 december 2017 18, 19, 20 of 21 jaar oud zijn.

Het gemiddeld uurloon is het jaarloon uit tegenwoordige dienstbetrekking gedeeld door het aantal verloonde uren. Niet tot het jaarloon behoren WGA-uitkeringen die een eigenrisicodragende werkgever aan een werknemer betaalt, WAO-, WIA- en WW-uitkeringen die de werkgever namens het UWV aan de werknemer betaalt en ziektewetuitkeringen die de werkgever als eigenrisicodrager na afloop van de dienstbetrekking aan de ex-werknemer betaalt.


Het Jeugd-LIV is afhankelijk van de leeftijd.
























Leeftijd op 31 december 2017  Jeugd-LIV per verloond uur Maximaal Jeugd-LIV per jaar
 18 jaar  € 0,23  € 478,40
 19 jaar  € 0,28  € 582,40
 20 jaar  € 1,02  € 2.121,60
 21 jaar  € 1,58  € 3.286,40

Het Jeugd-LIV wordt in 2019 automatisch op de bankrekening van de werkgever gestort. Het Jeugd-LIV kan samengaan met andere loonkostenvoordelen.