Gunstiger boetebeleid geldt ook voor oude jaren

Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke

Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke maximum. Het boetebeleid schrijft sinds 2014 weliswaar nog maar 7% voor, maar het overgangsrecht verklaart die regel pas van toepassing vanaf belastingjaar 2014. De Hoge Raad zet dat overgangsrecht opzij wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. De boete gaat naar € 344.

Aangifte blijft uit

De inspecteur nodigt de vrouw uit om aangifte te doen, herinnert haar en maant haar aan. De uiterste termijn voor de aangifte inkomstenbelasting wordt door de inspecteur op 7 mei 2014 gesteld. De aangifte blijft echter uit. Op 10 januari 2015 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op, met een verzuimboete. Omdat het om een tweede achtereenvolgend verzuim gaat, legt hij, overeenkomstig het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 2011, een boete op van 20% van het wettelijke maximum (van destijds € 4.920).

Twintig of zeven procent?

De vrouw wijst erop dat de maximale boete slechts 7% van € 4.920 (€ 344) mag bedragen. In het BBBB van 2014 is immers de regel vervallen op grond waarvan bij een tweede achtereenvolgende verzuim een verzuimboete wordt opgelegd van 20% van het maximum. De Hoge Raad overweegt dat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de gunstigste bepaling (volgens Europese verdragen) meebrengen dat de boete niet hoger mag zijn dan wat ten tijde van het beboetbare feit mogelijk was, of wat later gunstiger is geworden. Het overgangsrecht dat de nieuwe regeling pas vanaf belastingjaar 2014 van toepassing verklaart, moet buiten toepassing blijven wegens strijd met deze verdragsbepalingen.

Maximum van 2014 telt

Ook de verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 naar € 5.278 blijft buiten toepassing, omdat het beboetbare feit daarvóór ligt en het gunstigste bedrag telt. De Hoge Raad vermindert de boete tot € 344 en matigt niet verder, vanwege de financiële omstandigheden van de belastingplichtige. Het hof achtte een boete van € 492 immers al proportioneel. 

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1341 | 06-08-2026

Zonder aangekruist verzoek geen doorschuiving van de verkrijgingsprijs

Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens

Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens de weduwe ligt daarin een impliciet verzoek om doorschuiving besloten. Zij claimt in 2020 een verlies van ruim € 260.000. De inspecteur gaat uit van het gestorte aandelenkapitaal en komt uit op een verlies van € 5.000. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. Sinds 2015 staat het verzoek als aan te kruisen vakje op het aangiftebiljet en de bv drijft geen onderneming.

Verlies van twee ton

In haar aangifte over 2020 vermeldt de weduwe een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 260.000. Zij rekent met een overdrachtsprijs van bijna € 13.000 en een verkrijgingsprijs van ruim € 270.000, bestaande uit agio en aandelenkapitaal. De inspecteur wijkt daarvan af en stelt de verkrijgingsprijs vast op het gestort en geplaatst aandelenkapitaal per 1 januari 2018 van ruim € 18.000. De inspecteur komt zo uit op een verlies van € 5.000.

Sinds 2015 een vakje

De doorschuifregeling vergt een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden. Dat verzoek kan ook impliciet worden gedaan, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De weduwe wijst op een uitspraak waarin het hof zo'n impliciet verzoek aanneemt. De rechtbank ziet een beslissend verschil: die zaak betreft een aangifte over 2011, toen het biljet nog geen vakje voor doorschuiving kende. Sinds 2015 bestaat dat vakje wel en in de aangifte over 2018 is het leeg gebleven. Wie het verzoek kan en moet doen maar dat nalaat, voldoet niet aan de voorwaarde.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7358 | 06-08-2026

Geen heffingsvrij vermogen bij werkelijk rendement

Een man en vrouw hebben in 2023 uitsluitend bank- en spaartegoeden van in totaal € 229.802. Op deze tegoeden ontvangen zij gedurende het jaar

Een man en vrouw hebben in 2023 uitsluitend bank- en spaartegoeden van in totaal € 229.802. Op deze tegoeden ontvangen zij gedurende het jaar € 1.575 aan rente. De Belastingdienst stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) vast op € 1.065. De man vindt dat dit bedrag lager moet uitvallen en beroept zich daarbij op het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad.

Heffingsvrij vermogen 

De man stelt dat bij de berekening van het werkelijke rendement rekening moet worden gehouden met het heffingsvrij vermogen. Volgens zijn berekening mag daarom slechts een deel van de ontvangen rente worden meegenomen. Hij komt uit op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 793 in plaats van € 1.065.

Forfaitair rendement

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Volgens de rechtbank maakt de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2024 duidelijk dat bij de vaststelling van het werkelijke rendement moet worden uitgegaan van het volledige behaalde rendement op het vermogen. Daarbij vindt geen vermindering plaats wegens het heffingsvrije vermogen. Dat betekent dat in deze zaak het volledige bedrag van € 1.575 aan ontvangen rente geldt als werkelijk rendement. Omdat het forfaitaire rendement lager uitvalt dan het daadwerkelijk behaalde rendement, is geen sprake van een situatie waarin de belastingplichtige zwaarder wordt belast dan zijn werkelijke opbrengst.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7168 | 18-08-2026

Creatief argument tegen box 3 strandt

Een belastingplichtige betoogt dat de box 3-heffing ongeldig is, omdat de wet geen expliciet genietingsmoment bevat. Hij betoogt dat zonder wettelijke

Een belastingplichtige betoogt dat de box 3-heffing ongeldig is, omdat de wet geen expliciet genietingsmoment bevat. Hij betoogt dat zonder wettelijke bepaling die vastlegt wanneer het inkomen wordt genoten, het niet kan worden belast. De rechtbank verwerpt dit argument. Het genietingsmoment zit besloten in de peildatum van 1 januari. Een afzonderlijke bepaling is niet nodig.

Fors vermogen in onroerend goed

De man doet aangifte inkomstenbelasting 2021 met een box 3-inkomen van ruim dertigduizend euro. Zijn bezittingen bestaan voornamelijk uit onroerende zaken ter waarde van bijna 3,4 miljoen euro, aangevuld met bank- en spaartegoeden en een aandelenportefeuille. Na aftrek van schulden resteert een rendementsgrondslag van ruim negenhonderdduizend euro. De aanslag wordt conform de aangifte opgelegd. Toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 leidt niet tot een lager voordeel.

Ontbrekend genietingsmoment?

De man gaat in beroep met een opmerkelijk argument. Voor box 1-inkomen bepaalt de wet expliciet wanneer dat inkomen wordt genoten. Voor box 3 ontbreekt zo'n bepaling. De man betoogt dat zonder wettelijk vastgelegd genietingsmoment de heffingsgrondslag onduidelijk is en het inkomen niet kan worden belast. Hij beroept zich op het Europese eigendomsrecht, het EU-Handvest en diverse rechtsbeginselen zoals het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

Peildatum is het genietingsmoment

De rechtbank maakt korte metten met dit betoog. Uit de wet volgt dat inkomstenbelasting wordt geheven over het in een kalenderjaar genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dat inkomen wordt forfaitair bepaald naar de grondslag per 1 januari van het kalenderjaar. De heffingsgrondslag is daarmee duidelijk. Een afzonderlijke bepaling voor het genietingsmoment is niet nodig. De rechtbank vindt steun in het Kerstarrest, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire stelsel ertoe strekt belasting te heffen over door de belastingplichtige genoten inkomen. De Hoge Raad achtte een afzonderlijk genietingsmoment niet vereist.

Handvest niet van toepassing

Het beroep op het EU-Handvest faalt eveneens, maar om een andere reden. De Wet IB 2001 beoogt geen Unierecht uit te voeren. Daardoor is het Handvest in deze zaak niet van toepassing en kan de man er geen beroep op doen.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:18709 | 01-07-2026

Koopovereenkomst nieuwe woning geen box 3-schuld

Een vrouw verkoopt haar woning. In hetzelfde jaar sluit zij een voorlopige koopovereenkomst voor een nieuwe woning. Deze wordt het jaar erna, in

Een vrouw verkoopt haar woning. In hetzelfde jaar sluit zij een voorlopige koopovereenkomst voor een nieuwe woning. Deze wordt het jaar erna, in januari, geleverd. De vrouw maakt de koopsom in januari in drie delen over naar de derdengeldrekening van de notaris. In haar aangifte inkomstenbelasting geeft de vrouw bank-, giro- en spaartegoeden op. Later stelt zij dat zij ten onrechte geen box 3-schuld heeft opgenomen voor de aankoop van de nieuwe woning.

Box 3-schuld?

De rechtbank oordeelt dat de opbrengst van de woning tot de rendementsgrondslag in box 3 behoort. De rechtbank vindt dat de vrouw het geld op haar bankrekening niet mag verrekenen met een even grote schuld voor de aankoop van de nieuwe woning. Volgens de rechtbank ontstaat door de koopovereenkomst niet alleen een betalingsverplichting, maar ook een recht op levering van de woning. Deze twee onderdelen horen onlosmakelijk bij elkaar. De verplichting om de koopsom te betalen kan daarom niet afzonderlijk als schuld in box 3 worden aangemerkt.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5017 | 23-06-2026

Navordering deels vernietigd na te late aanslag

De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Bij uitstel voor het doen van

De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Bij uitstel voor het doen van aangifte wordt deze termijn verlengd met het verleende uitstel. De inspecteur stelt dat hij een navorderingsaanslag voor 2011 tijdig heeft opgelegd, vanwege dertien maanden uitstel via de Becon-regeling. De inspecteur kan echter geen stukken tonen die dit uitstel onderbouwen. Een collega bevestigt bovendien dat het systeem geen Becon-uitstel voor 2011 registreert. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar uitstel is verleend. De navorderingsaanslag voor 2011 is daarom buiten de navorderingstermijn van vijf jaar opgelegd en wordt vernietigd.

Wel navordering over 2012 en 2013

Een man exploiteert in maatschapsverband een motortankschip. De man is de kapitein en de andere maat verzorgt de administratie. Het schip vervoert plantaardige oliën, waarbij 'slops' ontstaan met een waardevolle oliecomponent. In 2011 start een strafrechtelijk onderzoek, 'Flip' genaamd, naar de verduistering van plantaardige olie door schippers, aangeboden als slops aan een vethandel. De man is tot zijn overlijden verdachte in dit onderzoek.

Contante betalingen

De Belastingdienst onderzoekt de administratie van de vethandel en stelt vast dat de vethandel inkoopfacturen op naam van het schip opmaakt voor contante betalingen aan de schippers voor geleverde slops. De jaarrekeningen van de maatschap vermelden geen opbrengsten uit slops. De inspecteur stelt dat de man de contante betalingen niet heeft opgenomen in zijn aangiften. De man reageert dat hij geen administratie heeft, omdat de andere maat die voerde. De maat verklaart dat de man buiten het zicht van de maatschap om ontvangsten had en dat er geen inkomsten uit slops op de bankrekening van de maatschap zijn ontvangen.

Administratie 

De erven van de man stellen dat hij de contante betalingen nooit heeft ontvangen en dat de administratie van de vethandel geen overtuigend bewijs levert. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de man de contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van de vethandel overgelegd, waaronder inkoopfacturen, begeleidingsbrieven en weegbrugstempels, die met elkaar overeenkomen en de beschreven werkwijze bevestigen. Ook kalenders en kladkasboeken van de vethandel ondersteunen de facturenstroom. De rechtbank acht het verder van belang dat de maatschap geen ontvangsten voor slops heeft verantwoord in de jaarrekeningen en dat de partner die de administratie voerde dit heeft bevestigd. De stellingen van de erven zijn niet onderbouwd met bewijs. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd en niet te hoog.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:5608 | 21-06-2026

Fictieve vervreemding aanmerkelijk belang bij overlijden

Een vrouw overlijdt in 2020. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij hij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van

Een vrouw overlijdt in 2020. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij hij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 in aanmerking neemt. De erven van de vrouw stellen dat de vrouw geen aanmerkelijk belang had. Haar man is immers enig aandeelhouder van de holding-bv. De vrouw heeft haar enige aandeel in de holding op de dag van de oprichting overgedragen aan haar man. De wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen brengt daar volgens de erven geen verandering in.

Fictieve vervreemding

De rechtbank oordeelt dat de aandelen in de holding op het moment van het overlijden van de vrouw in de huwelijksgemeenschap vallen. Hierdoor heeft de vrouw een aanmerkelijk belang in de holding. De overgang onder algemene titel bij overlijden wordt als een fictieve vervreemding aangemerkt. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt € 241.893.

Doorschuiffaciliteit 

De erven stellen verder nog dat de doorschuiffaciliteit van toepassing is. De onderneming wordt door de man voortgezet. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Omdat de holding bv en haar dochteronderneming sinds 2015 geen activiteiten verrichten en geen omzet behalen, is er geen sprake van een materiële onderneming. Ook van een medegerechtigdheid is geen sprake. De doorschuiffaciliteit kan daarom niet worden toegepast.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:6105 | 06-07-2026

Handvol e-mails levert volledig gebruikelijk loon op

Een dga stelt dat hij vanwege hartproblemen geen werkzaamheden voor zijn bv heeft verricht. Daarom zou de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing

Een dga stelt dat hij vanwege hartproblemen geen werkzaamheden voor zijn bv heeft verricht. Daarom zou de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing zijn. Het hof denkt daar anders over. Uit brieven en e-mails blijkt dat de dga in het jaar in kwestie namens de bv bezwaarschriften indiende, verzoeken deed en correspondeerde met de Belastingdienst. Die administratieve werkzaamheden zijn voldoende om gebruikelijk loon in aanmerking te nemen.

Schoonheidssalon via bv

De echtgenote van de dga runt een schoonheidssalon. Na haar persoonlijke faillissement in 2016 richt de dga twee vennootschappen op om de salon met behoud van personeel voort te zetten. De echtgenote mag van de curator geen bestuurder worden, dus neemt de dga die rol op zich. Volgens de echtgenote heeft hij uitsluitend een adviserende en coachende rol en verricht hij geen daadwerkelijke arbeid. In januari 2019 wordt de dga opgenomen in het ziekenhuis met hartproblemen en een longontsteking. Zijn huisarts verklaart dat het boezemfibrilleren wordt uitgelokt door stress en dat de dga zijn leefstijl moet aanpassen.

Aangifte zonder loon

De dga doet aangifte inkomstenbelasting 2019 naar een negatief inkomen van € 2.544. De inspecteur corrigeert de aangifte met een gebruikelijk loon van € 26.470, gelijk aan het loon van de meestverdienende werknemer: de echtgenote. Na bezwaar wordt het belastbaar inkomen vastgesteld op € 23.220. De dga gaat in beroep en stelt dat hij vanwege zijn gezondheid geen werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden die hij wel deed, waren volgens hem puur arbeidstherapeutisch.

Eigen correspondentie als bewijs

Uit het dossier blijkt dat de dga in 2019 als contactpersoon stond vermeld in de maandelijkse aangiften loonheffing. In maart 2019 verzocht hij namens de holding om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, stuurde hij informatie toe voor een hoorgesprek en bevestigde hij telefonisch gemaakte afspraken per e-mail. In april 2019 diende hij namens de bv bezwaar in tegen een aanslag vennootschapsbelasting en in november en december correspondeerde hij uitgebreid met de inspecteur over dat bezwaar.

Verklaringen onvoldoende

De verklaringen van de huisarts en de echtgenote veranderen dit niet. Deze verklaringen gaan over de gezondheid van de dga, maar nemen niet weg dat hij de administratieve werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De dga heeft niet bewezen dat een lager gebruikelijk loon op zijn plaats is. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat was waarmee geen loon kan worden genoten. Het hoger beroep is ongegrond.

Omvang niet getoetst

Opvallend is dat het hof niet toetst of de omvang van de werkzaamheden het gebruikelijk loon rechtvaardigt. De systematiek van de wet is hard: zodra vaststaat dat de dga enige arbeid verricht, geldt het standaardbedrag. Wil de dga een lager loon? Dan moet hij bewijzen dat dit gebruikelijk is voor vergelijkbare arbeid. Door alleen medische verklaringen over te leggen in plaats van concrete gegevens over wat vergelijkbaar administratief werk waard is, laat de dga die kans liggen. De uitkomst roept wel vragen op. Een handvol brieven en e-mails levert een belastbaar loon op van ruim € 26.000.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4305 | 22-06-2026

Geen arbeidskorting bij ZW-uitkering na beëindigde dienstbetrekking

Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als

Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als arbeidsinkomen als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd. De wet maakt nu dus onderscheid tussen zieke werknemers met een lopende dienstbetrekking en zieke personen zonder dienstbetrekking. Voor de laatste groep, waaronder mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte is beëindigd, telt de ZW-uitkering niet langer mee voor de arbeidskorting.

Arbeidskorting terugbetalen 

Een man trad in 1992 in dienst bij zijn inmiddels ex-werkgever. In april 2021 sluiten zij een vaststellingsovereenkomst, waarin zij overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In mei 2021 meldt de man zich ziek. Vanaf dat moment ontvangt de man een ZW-uitkering tot mei 2023. In zijn aangifte 2022 geeft de man deze inkomsten aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur stelt de aanslag echter vast op basis van inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de man geen recht heeft op arbeidskorting. 

Eigenrisicodrager 

De man maakt bezwaar. Volgens hem is er nog sprake van een dienstbetrekking. Hij voert aan dat een wettelijk ontslag niet kan ingaan tijdens een ziekteperiode. Tevens verwijst hij naar de loonspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven (2021-2023), waarin hij als 'werknemer' wordt aangeduid en waarop 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' staat vermeld. De inspecteur stelt dat de dienstbetrekking op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De ZW-uitkering wordt door de ex-werkgever als eigenrisicodrager uitgekeerd en niet in het kader van een lopende dienstbetrekking. 

Geen recht op arbeidskorting 

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De dienstbetrekking is per 1 september 2021 beëindigd via de vaststellingsovereenkomst. De man heeft geen bewijs geleverd dat deze overeenkomst ongeldig of herroepen is. De vermeldingen op de loonspecificaties en jaaropgaven, zoals 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' of 'werknemer', zijn niet doorslaggevend. De loonspecificatie vermeldt namelijk ook de functie 'ZW-uitkeringsgerechtigde'. De ex-werkgever ging uit van een dienstbetrekking tot 1 september 2021, maar niet daarna. De rechtbank merkt op dat de man bij herstel na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, aangezien de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Aangezien het hier niet gaat om een ZW-uitkering met een lopende dienstbetrekking, telt de uitkering niet mee als arbeidsinkomen. Hierdoor bestaat er geen recht op arbeidskorting.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5042 | 25-06-2026

Wet excessief lenen doorstaat eerste toets

Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van € 700.000 wordt belast als fictief regulier voordeel.

Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van € 700.000 wordt belast als fictief regulier voordeel. De dga vindt dit in strijd met het Europese eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Waarom telt een zakelijke lening even zwaar als een onzakelijke lening? Rechtbank Den Haag verwerpt alle bezwaren. De wetgever mocht kiezen voor een eenvoudige regeling die alle leningen gelijk behandelt.

Schuld groeit snel

De dga houdt alle aandelen in een bv. Zijn rekening-courantschuld aan de vennootschap groeit van ruim € 5.000 in 2017 naar bijna € 600.000 eind 2022. In 2023 loopt de schuld verder op tot € 786.278. Per 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen in werking getreden. Die wet bepaalt dat schulden aan de eigen bv boven de drempel van € 700.000 worden belast als fictief regulier voordeel in box 2. Het bovenmatige deel bedraagt € 86.278. Na verdeling met zijn fiscale partner wordt € 75.127 bij de dga belast tegen het aanmerkelijkbelangtarief.

Beroep op grondrechten

De dga stelt dat de heffing in strijd is met het Europese eigendomsrecht. Hij voert aan dat de wetgever ten onrechte geen onderscheid maakt tussen zakelijke en onzakelijke leningen. Een lening met zakelijke voorwaarden en zekerheden zou anders behandeld moeten worden dan een informele schuld zonder aflossingsschema. Daarnaast vindt de dga de heffing disproportioneel, omdat deze een radicale wijziging vormt die zonder overgangsrecht is ingevoerd. Tot slot beroept hij zich op het discriminatieverbod en stelt hij dat de heffing het draagkrachtbeginsel schendt.

Beschikking over gelden is doorslaggevend

De rechtbank verwerpt alle stellingen. De heffing heeft een wettelijke basis, dient een legitiem doel en respecteert de vereiste balans tussen individueel en algemeen belang. Het doel van de wet is om uitstel en afstel van belastingheffing door dga's tegen te gaan. Daarbij is doorslaggevend dat de dga op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Of de lening zakelijk of onzakelijk is, doet er niet toe. De wetgever heeft bewust gekozen voor een eenvoudige regeling waarin alle leningen, behalve de eigenwoningschuld, gelijk worden behandeld. Die keuze is niet onredelijk.

Vijf jaar anticipatietijd

De rechtbank oordeelt verder dat de heffing niet disproportioneel is. De wetgever heeft de maatregel al in september 2018 aangekondigd, zodat dga's ruim vijf jaar de tijd hadden om hun schuldpositie af te bouwen. Bovendien kan een dga die later aflost het eerder belaste bedrag verrekenen als een negatief regulier voordeel en is de drempel € 200.000 hoger vastgesteld dan oorspronkelijk beoogd. Bij deze dga speelt terugwerkende kracht bovendien niet. Zijn schuld steeg pas in 2023 boven de drempel. Het beroep is ongegrond.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:18507 | 01-07-2026