Tariefmaatregel partneralimentatie: belasting hoger dan aftrek

Voor zover iemands inkomen uit werk en woning zonder de aftrekposten in de hoogste tariefschijf valt, geldt een lager tarief voor de aftrekposten. Dit

Voor zover iemands inkomen uit werk en woning zonder de aftrekposten in de hoogste tariefschijf valt, geldt een lager tarief voor de aftrekposten. Dit wordt de tariefmaatregel genoemd. De inspecteur past bij het opleggen van de aanslagen de tariefmaatregel toe bij een man die in 2021 en 2022 alimentatie aan zijn ex-partner betaalt. Dit resulteert in een tariefsaanpassing van 6,5% (2021) en 9,5% (2022) in de hoogste schijf.

De man stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn, zonder toepassing van de tariefmaatregel. De betalingen worden bij zijn ex immers ook progressief belast. De rechtbank oordeelt dat de tariefmaatregel rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Afwijking is slechts bij hoge uitzondering mogelijk. De wetgever heeft de gevolgen van de tariefmaatregel, inclusief het verschil in tarief voor betaler en ontvanger van partneralimentatie, expliciet overwogen. Ook de stelling over discriminatie en eigendomsrecht wordt verworpen, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gemaakte keuzes niet onredelijk zijn. 

De man stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is daar in deze situatie geen sprake van. De alimentatieovereenkomst is in 2021 gesloten, terwijl de tariefmaatregel al in 2020 werd ingevoerd. De rechtbank concludeert dat de tariefmaatregel terecht is toegepast.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1910 | 15-03-2026

Vinden droomwoning geen excuus

Een echtpaar koopt een woning. Om aanspraak te maken op het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting verklaren zij de woning als hoofdverblijf te

Een echtpaar koopt een woning. Om aanspraak te maken op het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting verklaren zij de woning als hoofdverblijf te zullen gebruiken. Nog voor de levering van deze woning vinden zij echter hun droomwoning. Pas na de levering van de eerste woning wordt de financiering van de droomwoning goedgekeurd. Het echtpaar stelt dat het vinden van hun droomwoning en de financieringsmoeilijkheden onvoorziene omstandigheden zijn. Als de financiering niet was gelukt, hadden ze de eerste woning als hoofdverblijf in gebruik genomen. 

Omdat de eerste woning nooit werd bewoond, legt de inspecteur naheffingsaanslagen op. De wetsgeschiedenis noemt voorbeelden als overlijden, echtscheiding, baanverlies en het aanvaarden van een baan in een andere regio of emigratie, die redelijkerwijs het niet-bewonen van de woning als hoofdverblijf kunnen rechtvaardigen. Het hof oordeelt dat het verkrijgen van de droomwoning niet als zodanige onvoorziene omstandigheden geldt. Het verlaagde tarief van 2% is daarom niet van toepassing. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:181 | 27-01-2026

Oude verliezen verrekenen na uitbreiding fiscale eenheid: meer ruimte dan gedacht

Een fiscale eenheid groeit in de loop der jaren flink. Na uitbreiding met een winstgevende vennootschap wil de moedermaatschappij oude verliezen

Een fiscale eenheid groeit in de loop der jaren flink. Na uitbreiding met een winstgevende vennootschap wil de moedermaatschappij oude verliezen verrekenen. De Belastingdienst weigert dat. Volgens de inspecteur moet je eerst kijken naar het resultaat van de oorspronkelijke groep vennootschappen. Die groep maakt als geheel verlies, dus is er geen ruimte voor verliesverrekening. De rechter is het daar niet mee eens.

Van verlies naar winst

De moedermaatschappij vormt sinds 2015 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Die fiscale eenheid wordt in de loop der jaren meermalen uitgebreid. In 2016 komt er een andere bestaande fiscale eenheid bij. In 2017 lijdt de gecombineerde groep een fors verlies van ruim € 550 miljoen. In 2019 voegt de moedermaatschappij opnieuw vennootschappen toe aan de fiscale eenheid. Een van de vennootschappen blijkt bijzonder winstgevend. In 2020 maakt de hele fiscale eenheid een winst van € 202 miljoen. Die winst komt vrijwel volledig van de in 2019 toegevoegde vennootschap.

Oude verliezen verrekenen

De moedermaatschappij wil het verlies uit 2017 verrekenen met de winst van 2020. Dat kan alleen met winst die toerekenbaar is aan de vennootschappen die in 2017 al tot de fiscale eenheid behoorden. De moedermaatschappij maakt zelf in 2020 echter verlies. De andere vennootschappen uit 2017 maken samen wel winst. De moedermaatschappij brengt haar eigen verlies in mindering op de winst van de in 2019 gevoegde vennootschap. Zo blijft de winst van de andere vennootschappen uit 2017 beschikbaar voor verrekening met het verlies uit 2017. De inspecteur accepteert deze werkwijze niet.

Inspecteur hanteert clusterbenadering

De inspecteur past de zogenoemde clusterbenadering toe. Die benadering houdt in dat je alle vennootschappen die in 2017 tot de fiscale eenheid behoorden, als één geheel beziet. Dat cluster maakt in 2020 per saldo verlies. Er is dus geen winst beschikbaar om het verlies uit 2017 mee te verrekenen. De inspecteur baseert zich op een beleidsbesluit uit 2024. De moedermaatschappij gaat in beroep.

Rechtbank: geen dwingend voorschrift

De rechtbank volgt de inspecteur niet. Het Besluit Fiscale Eenheid schrijft de clusterbenadering niet dwingend voor. Het woord 'ook' laat ruimte voor een andere benadering. De toelichting beperkt de clusterbenadering tot de vraag of sprake is van voorvoegingsverliezen. Zij strekt zich niet uit tot de bepaling van de voor verrekening vatbare winst in het jaar van verrekening. Een voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis ondersteunt die uitleg.

Doel horizontale verliesverrekening

Het doel van horizontale verliesverrekening is te voorkomen dat meer verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt. De benadering van de moedermaatschappij voldoet aan die eis. Zij verrekent niet meer dan de winst van de fiscale eenheid. Van ongeoorloofde kruislingse verliesverrekening is geen sprake. Het beleidsbesluit uit 2024 dateert van na het belastingjaar 2020 en kan de inspecteur niet helpen.

Forse verlaging belastbaar bedrag

De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het belastbaar bedrag daalt van € 197 miljoen naar € 59,5 miljoen. De verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld op € 142 miljoen in plaats van € 4,5 miljoen. De inspecteur kan nog in hoger beroep.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:3196 | 24-03-2026

Autohandelaar ontsnapt deels aan btw-naheffing van € 3,5 miljoen

Een autohandelaar koopt honderden gebruikte auto’s van twee leveranciers. Die leveranciers factureren de auto’s als marge-auto’s. De autohandelaar

Een autohandelaar koopt honderden gebruikte auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureren de auto's als marge-auto's. De autohandelaar past daarom de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De inspecteur stelt dat de auto's helemaal geen marge-auto's zijn en legt een naheffingsaanslag op van € 3,5 miljoen. 

Hoe werkt de margeregeling?

De margeregeling is een bijzondere btw-regeling voor handelaren in gebruikte goederen. Normaal gesproken berekent een ondernemer btw over de volledige verkoopprijs. Bij de margeregeling berekent hij alleen btw over zijn winstmarge: het verschil tussen in- en verkoopprijs. Dat scheelt flink. Die regeling mag echter alleen worden toegepast als de auto afkomstig is van iemand die zelf geen btw kan aftrekken. Denk aan een particulier of een vrijgestelde ondernemer. Als de auto afkomstig is van een btw-ondernemer, die wel recht heeft op aftrek, is de margeregeling niet van toepassing. Dan moet btw worden berekend over de volledige verkoopprijs.

Transformeren naar marge-auto

In de autobranche worden auto's soms ten onrechte als marge-auto gefactureerd, terwijl ze dat eigenlijk niet zijn. Dat heet in de branche transformeren. Een Duitse leasemaatschappij verkoopt een auto met btw aan een tussenhandelaar. Die tussenhandelaar factureert de auto vervolgens door als marge-auto, zonder btw. De koper past de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De btw over de inkoopprijs verdwijnt zo uit het zicht. De autohandelaar in deze zaak kocht tussen 2020 en 2023 honderden auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureerden vrijwel alle auto's als marge-auto's.

Twee situaties, twee uitkomsten

Bij 134 auto's beschikte de autohandelaar over de Duitse kentekenpapieren en verzorgde hij zelf de bpm-aangifte. Bij 227 andere auto's had hij die papieren niet. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid beslissend is. Bij de eerste groep kon de autohandelaar op de Duitse papieren zien dat de auto's eerder in handen waren van Duitse rechtspersonen. Dat had hem moeten alarmeren. Rechtspersonen zijn vaak btw-ondernemers die recht op aftrek hebben. In combinatie met zijn jarenlange ervaring in de branche had hij nader onderzoek moeten doen. Dat heeft hij niet gedaan. De naheffing voor deze 134 auto's blijft in stand.

Zonder papieren geen onderzoeksplicht

Voor de andere 227 auto's oordeelt de rechtbank anders. De autohandelaar had bij deze auto's alleen de facturen van zijn leverancier. Hij beschikte niet over de Duitse papieren. De rechtbank vindt de overige omstandigheden onvoldoende om voor al deze auto's een onderzoeksplicht aan te nemen. De autohandelaar mocht afgaan op de facturen van zijn leveranciers. Hij wordt voor deze auto's gevrijwaard van naheffing.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1847 | 15-03-2026

Ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen

Wie dividendbelasting inhoudt, moet die ook afdragen. Het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd is, helpt niet. Dat verweer had de bv

Wie dividendbelasting inhoudt, moet die ook afdragen. Het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd is, helpt niet. Dat verweer had de bv moeten voeren door bezwaar te maken tegen haar eigen afdracht, niet door de afdracht simpelweg achterwege te laten.

Internationale structuur

Een Nederlandse bv maakt deel uit van een internationale structuur. Via een Luxemburgse vennootschap ontvangt zij dividenden van € 300 miljoen. Die dividenden keert zij vrijwel volledig uit aan een Britse vennootschap. Op papier houdt de bv 15% dividendbelasting in: bijna € 45 miljoen. Maar zij draagt niets af. In haar aangifte claimt zij een vermindering ter grootte van de Luxemburgse bronbelasting die op de ontvangen dividenden zou drukken. Het probleem is dat die Luxemburgse belasting elders in de structuur volledig werd teruggevraagd. Per saldo betaalde niemand belasting.

Kunstmatige constructie

De inspecteur stelt een onderzoek in en legt een naheffingsaanslag op van bijna € 45 miljoen, plus een boete van ruim € 22 miljoen. De bv maakt bezwaar. In een eerdere procedure over de vennootschapsbelasting had het hof al geoordeeld dat de bv slechts een dienstverlenende rol speelt in een volstrekt kunstmatige structuur. De dividenden behoren niet tot haar winst. Op basis van die uitspraak vernietigt de rechtbank de naheffingsaanslag. Als er geen echte dividenden bestaan, hoeft er ook geen dividendbelasting te worden ingehouden.

Hof: ingehouden is ingehouden

De inspecteur gaat in hoger beroep en krijgt gelijk. Het hof wijst op een belangrijk onderscheid. De bv heeft zelf besloten dividend uit te keren en heeft zelf dividendbelasting ingehouden. Dat blijkt uit de dividendnota's. Uit de wet volgt dat degene die dividendbelasting inhoudt, deze ook moet afdragen. Zelfs als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden. De bv kan zich als inhoudingsplichtige niet verweren met het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd was. Daarvoor had zij bezwaar moeten maken tegen haar eigen afdracht.

Geen recht op vermindering

De bv had de afdracht achterwege gelaten door een vermindering te claimen voor buitenlandse bronbelasting. Maar die vermindering geldt alleen als de buitenlandse belasting daadwerkelijk drukt op de ontvangen dividenden. Dat is hier niet het geval. De Luxemburgse belasting werd in dezelfde structuur teruggevraagd en uit interne aantekeningen en e-mails blijkt dat de bestuurders van de bv dit wisten. Zij kozen er bewust voor de vermindering toch te claimen.

Boete blijft in stand

Het hof oordeelt dat de bv opzettelijk te weinig belasting heeft afgedragen. De bestuurders werkten nauw samen met de buitenlandse partijen en waren volledig op de hoogte van het kunstmatige karakter van de structuur. Zij wisten dat per saldo geen Luxemburgse belasting werd betaald. Toch claimden zij de vermindering. Dat de bv zich liet bijstaan door een belastingadvieskantoor, maakt het standpunt niet pleitbaar. De boete van 50% is passend, ook al gaat het om ruim € 22 miljoen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:169 | 23-03-2026

Nieuwe bank Belastingdienst

Per 1 mei 2026 heeft de Belastingdienst nieuwe rekeningnummers. Dit komt door de overstap van ING naar Rabobank. Het meest gebruikte nieuwe

Per 1 mei 2026 heeft de Belastingdienst nieuwe rekeningnummers. Dit komt door de overstap van ING naar Rabobank. Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer is: NL04 RABO 0200 1122 44. Het nieuwe rekeningnummer staat op de website en in de berichten die de Belastingdienst stuurt. Ook worden de belastingteruggaven overgemaakt vanaf het nieuwe rekeningnummer.

In veel gevallen verloopt de overgang automatisch. Of actie nodig is, hangt af van de manier waarop betalingen worden gedaan. 

Betalen via iDEAL | Wero

Bij betalingen via iDEAL | Wero in het overzicht betalen en ontvangen wordt automatisch het nieuwe rekeningnummer gebruikt. Hiervoor is geen aanpassing nodig.

Automatische incasso

Ook bij automatische incasso verandert er niets. De Belastingdienst zet de incasso zelf om naar het nieuwe rekeningnummer.

Internetbankieren

Bij betalingen via internetbankieren is het belangrijk om per 1 mei 2026 het nieuwe rekeningnummer te gebruiken dat wordt vermeld in de betaalinformatie bij een belastingaanslag of rekening. Daarnaast is het verstandig het bestaande rekeningnummer in het adresboek van het internetbankieren aan te passen.

Papieren overboekingsformulier

Bij gebruik van een papieren overboekingsformulier moet per 1 mei 2026 eveneens het nieuwe rekeningnummer worden gebruikt dat staat vermeld op de betaalinformatie bij de aanslag of rekening.

Periodieke overboeking

Bij een periodieke overboeking moet het rekeningnummer worden aangepast zodra betaalinformatie met het nieuwe Rabobank‑rekeningnummer wordt ontvangen.

Bron: Belastingdienst | persbericht | 15-04-2026

Tweede Kamer wil veel aanpassingen in Belastingplan 2024

Bij de Algemene Politieke Beschouwingen heeft de Tweede Kamer een groot aantal moties aangenomen met

Bij de Algemene Politieke Beschouwingen heeft de Tweede Kamer een groot aantal moties aangenomen met fiscale gevolgen. Het Belastingplan 2024.

De Kamer heeft de volgende wensen geuit:

  • De taakstelling voor belastingconstructies en fiscale regelingen moet worden gerealiseerd, waarmee de inkomstenbelasting voor 2024 niet wordt verhoogd.
  • Het deskundigheidsvereiste voor toepassing van de 30%-regeling moet worden aangescherpt.
  • De regering moet winstdeling van bedrijven aan werknemers stimuleren. In dat kader moet de regering onderzoeken welke fiscale en andere obstakels winstdeling aan werknemers belemmeren.
  • De korting op accijns van benzine en diesel moet ook in 2024 gelden en de accijnzen worden eenmalig niet geïndexeerd. Daarnaast wil de Kamer dat de energiebelasting voor huishoudens wordt verlaagd met € 200 miljoen structureel. Deze voorstellen zouden gefinancierd moeten worden uit de incidentele en structurele middelen van de aanvullende post, uit meeropbrengsten in de aardgasbaten en uit het Nationaal Groeifonds.
  • De regering moet zich inzetten om de financiële en fiscale voordelen voor het gebruik van fossiele brandstoffen in de lucht- en scheepvaart en de industrie af te schaffen.
  • De vliegbelasting moet ook worden geheven van transferpassagiers en van privévliegtuigen. De uitbreiding van de vliegbelasting is bedoeld om de energiebelasting op aardgas voor huishoudens te verlagen.
  • Het minimumloon moet met 1,7% extra worden verhoogd. De koppeling van de uitkeringen aan het netto minimumloon moet behouden worden. Verder moet het budget voor de kinderopvang worden verhoogd met € 425 miljoen, zodat de maximumuurprijs voor de kinderopvang en de buitenschoolse opvang kan aansluiten bij de werkelijke prijzen. De voorgestelde verlaging van het afbouwpunt van het kindgebonden budget voor paren met € 9.000 moet vervallen. Deze voorstellen zouden gefinancierd moeten worden door de inkoop van eigen aandelen te belasten als het uitkeren van dividend, de opbrengst van de bankenbelasting te verhogen met € 350 miljoen en een verhoging van de tarieven in box 2 en box 3 met 2%-punt.

Regeling TOFA twee weken langer open

De Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) is een tegemoetkoming voor het

De Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) is een tegemoetkoming voor het inkomensverlies van flexwerkers, oproep- en uitzendkrachten. De periode waarbinnen een aanvraag kan worden gedaan, is verlengd met twee weken tot en met 26 juli. De tegemoetkoming bedraagt € 550 bruto per maand voor de maanden maart, april en mei. Voorwaarde voor de tegemoetkoming is dat de flexwerker in februari meer dan € 400 bruto aan inkomen had en in april minimaal de helft daarvan heeft verloren. De aanvrager mag in de maanden maart tot en met mei geen WW, bijstand, of andere socialezekerheidsregeling hebben ontvangen.

Wetsvoorstel aanpassing AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd

In het pensioenakkoord is afgesproken dat de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd minder snel stijgen

In het pensioenakkoord is afgesproken dat de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd minder snel stijgen dan de ontwikkeling van de resterende levensverwachting. In plaats van een 1 op 1-koppeling komt er een 2/3-koppeling. Dit betekent dat voor ieder jaar levenswinst acht maanden langer moet worden doorgewerkt. Nu het pensioenakkoord is geaccepteerd door de achterban van de werknemersorganisaties heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer waarin de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd en de pensioenrichtleeftijd aan de levensverwachting is verwerkt.

De koppeling is in de wet verwerkt in de vorm van een formule. Deze formule luidt als volgt:

V = 2/3 * (L – 20,64) – (P – 67)

V is de verhoging van de AOW-leeftijd ten opzichte van de AOW-leeftijd in het voorafgaande jaar. Als V groter of gelijk is aan 0,25 gaat de AOW-leeftijd in het aanpassingsjaar met drie maanden omhoog. Als V kleiner is dan 0,25 blijft de AOW-leeftijd in het aanpassingsjaar gelijk.

2/3 is de coëfficiënt die ervoor zorgt dat de toename van levensverwachting voor twee-derde meetelt in een stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd.

L is de geraamde gemiddelde resterende levensverwachting op de 65-jarige verjaardag in het aanpassingsjaar en 20,64 is de door het CBS voor 2019 geraamde resterende levensverwachting op de 65e verjaardag voor het jaar 2024.

P is de geldende AOW-leeftijd in het voorafgaande jaar.

67 is de geldende AOW-leeftijd in jaren in 2024.

Het jaar 2025 vormt een overgangsjaar. Voor dit overgangsjaar is in het wetsvoorstel vastgelegd dat de AOW-leeftijd 67 jaar bedraagt en de aanvangsleeftijd voor de AOW-verzekering 17 jaar.

De formele nieuwe koppeling van de AOW-leeftijd aan de resterende levensverwachting geldt derhalve vanaf het jaar 2026.

De pensioenrichtleeftijd is de in de belastingwetgeving opgenomen pensioenleeftijd. De pensioenrichtleeftijd is een rekengrootheid voor de bepaling van het maximaal op te bouwen pensioen in dienstbetrekking. Sinds 1 januari 2015 is de pensioenrichtleeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting. Jaarlijks wordt bepaald in hoeverre de ontwikkeling van de levensverwachting leidt tot een verdere verhoging van de pensioenrichtleeftijd. Deze aanpassing vindt plaats in stappen van één jaar. Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd wordt ten minste één jaar van tevoren bekendgemaakt. Sinds 2018 is de pensioenrichtleeftijd 68 jaar. Dat blijft zo totdat deze op basis van de 2/3-koppeling aan de resterende levensverwachting moet worden verhoogd. De stapgrootte van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd blijft één jaar.

Aftrekverbod lage arbeidsvergoeding meewerkende partner

De Wet IB 2001 kent een aftrekverbod voor arbeidsbeloningen die een ondernemer betaalt aan zijn partner.

De Wet IB 2001 kent een aftrekverbod voor arbeidsbeloningen die een ondernemer betaalt aan zijn partner. Het aftrekverbod geldt alleen indien de vergoeding lager is dan € 5.000. Als geen vergoeding wordt betaald voor de arbeid van de partner of wanneer de vergoeding lager is dan € 5.000 kan de ondernemer gebruik maken van de meewerkaftrek, op voorwaarde dat de partner op jaarbasis ten minste 525 uur meewerkt in de onderneming. Voor anderen dan de partner van de ondernemer geldt geen aftrekbeperking, ongeacht de hoogte van de arbeidsvergoeding.

Bij de Hoge Raad is een procedure aanhangig over een door een ondernemer aan zijn partner betaalde vergoeding voor arbeid van € 1.500. Volgens Hof Den Haag valt deze vergoeding onder het wettelijke aftrekverbod. De vraag in de procedure bij de Hoge Raad is of sprake is van discriminatie.  

De Advocaat-Generaal (A-G) heeft een conclusie aan deze procedure gewijd. Hij stelt vast dat de weigering van de aftrek leidt tot een belastingnadeel voor de ondernemer en een belastingvoordeel voor de partner omdat de arbeidsvergoeding is vrijgesteld. De regeling kan als evenwichtig worden aangemerkt wanneer het nadeel voor de ene partner in de regel grotendeels wordt ondervangen door het voordeel voor de andere partner. Wanneer de ondernemer een hoger marginaal belastingtarief heeft dan zijn partner is per saldo sprake van een nadeel. In de jaren waarop de procedure betrekking heeft was het maximale tarief 52%. Het nadeel kon daarmee oplopen tot € 2.600 bij een vergoeding van net geen € 5.000. Bij andere relaties dan partnerrelaties doet zich dit nadeel niet voor. Volgens de A-G bestaat voor deze ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging.

De vrijstelling voor de vergoeding bij de meewerkende partner neemt wel een deel van het bezwaar weg, maar het resterende mogelijke progressienadeel kan volgens de A-G niet als onbeduidend worden afgedaan. Anders dan voor ongelijke behandelingen op sociaaleconomisch gebied, waar de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft, gaat het hier om een ongelijke behandeling naar gelang van de huwelijkse status op basis van doelmatigheidsargumenten. Hier geldt volgens de A-G een beperkte beoordelingsvrijheid.

De conclusie van de A-G is, dat het aftrekverbod een ontoelaatbare ongelijke behandeling van (in dit geval) gehuwde belastingplichtigen met zich meebrengt. De Hoge Raad kan het benodigde rechtsherstel zelf bieden omdat er geen rechtspolitieke keuzes hoeven te worden gemaakt. Rechtsherstel kan worden verleend door het fiscale nadeel dat de partners per saldo ondervinden als gevolg van de aftrekuitsluiting weg te nemen op de aanslag IB/PVV van de ondernemer.